| |
Lezing van Prof. P.
Visser
uitgesproken op 29 november bij de viering van het 150-jarig bestaan van
het kerkgebouw.
Opm.: In rood
aangegeven zijn verwijzingen naar de voetnoten.
Tempels in een
vermaning?
Inleiding De geschiedenis lijkt zich te herhalen. 150 jaar geleden, op 7 november
1858, stond hier ook een Fries die eveneens al lang, 17 jaar, in
Noord-Holland woonde: ds. Inne Taconis (geboren te Joure) die leraar was
bij de doopsgezinden van Oude en Nieuwe Niedorp. Toen hij hier de nieuwe
vermaning plechtig opende, had de gemeente Broek op Langedijk al vier
jaar geen leraar meer, omdat haar oude predikant, Jan Enigenburg, die
hier maar liefst 48 jaar gepreekt had, in mei 1854 was overleden.
Taconis preekte hier sindsdien regelmatig en gaf de kinderen
catechisatie. Voor de inwijdingspreek van dit nieuwe kerkgebouw koos hij
de bijbeltekst uit 1. Kon. 8:29 en 30.1
Hoewel ik die preek niet ken (het is maar de vraag of ze bewaard is
gebleven), lees ik u, in het kader van deze heugelijke viering van het
150-jarig bestaan van dit kerkgebouw, die twee verzen over de tempel van
Salomo even voor:
Wees dag en nacht opmerkzaam op wat er gebeurt in deze tempel, de plaats
waarvan u zelf hebt gezegd dat daar uw naam zal wonen, en verhoor het
gebed dat ik naar deze tempel richt. Luister naar de smeekbeden die uw dienaar en uw volk Israel naar deze
tempel richten, aanhoor ons gebed vanuit de hemel, uw woonplaats,
aanhoor
ons en schenk ons vergeving.
Dat zijn zo op het eerste gezicht twee zeer toepasselijke bijbelplaatsen
voor de nieuwe tempel van de doopsgezinde gemeente van Broek op
Langedijk, waarvoor peuter Arjen Kroon op 28 juli 1858 de eerste steen
had gelegd. Eerder, in de achttiende eeuw had uw gemeente ook nog een
vermaninkje in Koedijk, waar afwisselend met Broek ooit ook nog gepreekt
was door vermaners als Dirk en Willem Keyser en Dirk de Vries.2
Maar in 1795 moest dat vervallen houten gebouwtje worden gesloten en
verkocht.

Een
vermaning over en voor tempels Dominee Taconis zal vast en zeker een preek gehouden hebben, waarin hij
de gemeente opgeroepen heeft om in dit nieuwe, nog naar verse kalk en
specie ruikende vermaanhuis van de gemeente, God getrouw te dienen en te
eren, Hem in leven en leer te volgen, in de hoop dat God de smeekbeden
van zijn dienaar en gemeenteleden zal verhoren, toen en in de toekomst.
Dat die preek, hoe dan ook enig effect heeft gehad, kunnen we zonder
meer vast stellen. Tot op de dag van vandaag komt hier in dit huis nog
steeds een kleine gemeente samen die trouw gebleven is aan haar
beginselen – althans, min of meer trouw gebleven is; de tijden zijn nu
eenmaal veranderd. Hoe ze veranderd zijn, blijkt alleen al uit de
verbouwingen die hier sinds 1905, 1962 en 2004 gepleegd zijn. En u houdt
moedig stand en laat u niet afleiden door onze moderne tijd vol
ongeloof, bijgeloof of schijngeloof: ‘Een gemeente die leeft, bouwt aan
haar kerk’, zo lees ik in het stuk van Lies Dirkmaat op uw website. Ik
feliciteer u, gemeente Broek op Langedijk, van harte met deze Westfriese
vasthoudendheid. Volgens het Doopsgezind Jaarboekje doet u dat als
gemeente met zo’n 45 lidmaten, 12 belangstellenden en 14 vrienden; hier
wordt 18 keer per jaar gepreekt; u hebt onder meer een zusterkring, er
wordt aan bijbelstudie gedaan, maandelijks organiseert u een activiteit;
u ondersteunt twee kinderen in Zuid-Amerika, en geeft eens in de twee
maanden het blad Rondom de Broeker Vermaning uit. Dat getuigt mijns
inziens nog steeds van vitaliteit. Ook daarom nogmaals proficiat! Toch zal ds. Taconis wel wat noodsprongen hebben moeten maken om in zijn
negentiende-eeuwse, vermoedelijk zeer bijbelse preek (dat was toen weer
zeer in de mode onder doopsgezinden) niet al te letterlijk noch te lang
bij de tempel van Koning Salomo stil te blijven staan. Want die liet
zijn immens kostbare en met veel bladgoud ingerichte tempel, voorzien
van een groot altaar, vele zuilen en tal van versieringen in koper en
brons, met veel ceremonieel inwijden. Toen werd o.a. de Ark van het
Verbond met de stenen tafelen van Mozes door de priesters en de Levieten
vanuit de Davidsburcht naar de achterste zaal, het allerheiligste,
gebracht, waarbij ontelbaar veel schapen, geiten en runderen zouden
worden geofferd. De verwijzing naar de tempel van Salomo zal vooral
overdrachtelijk zijn bedoeld, zinnebeeldig en geestelijk. Immers,
blijkens goed doperse opvatting wordt het huis van de gemeente, de
vermaning, niet als een heiligdom van Gods naam beschouwd – laat staan
dat er te Zijner ere met veel ceremonieel en veel uiterlijke pracht en
praal erediensten aan hem worden opgedragen. De vermaning is niets meer
en niets minder dan een huis waarin de gemeente samenkomt: alle mannen
en vrouwen die zich door Christus’ voorbeeld en het evangelie laten
inspireren en daarvan ooit zelfstandig belijdenis hebben gedaan. Daar
worden ze bemoedigd, gesticht en opgewekt – dat is de eigenlijke
betekenis van vermaning – om in eenheid, in liefde en in vrede, met
elkaar en met de buitenwereld, dat christelijke ideaal zoals dat in het
Nieuwe Testament verteld wordt, dag in dag uit tot uitdrukking te
brengen – niet zozeer in woorden, maar vooral in daden. Sterker nog:
voor doopsgezinden woont God niet in een voor Hem opgericht huis of
heiligdom, maar in ieder mens. Ik kom daar nog op terug. Toch moeten 150 jaar geleden de vreugde en de dankbaarheid van de
Broeker gemeente wel enigszins te vergelijken zijn geweest met die van
Koning Salomo, die uit dankbaarheid voor de beloften van God aan David
en zijn uitverkoren volk van Israel, 480 jaar na de uittocht uit Egypte,
in Jeruzalem deze tempel liet bouwen. Ook de Broeker mennisten, die zich
ooit Friese doopsgezinden noemden, hadden wat dat betreft een lange en
moeilijke weg afgelegd. Over die lange geschiedenis van het doperdom in Broek en omgeving weten
we eigenlijk maar heel weinig – u kunt dat ook op uw eigen site nalezen.3
In de kerk ingekwartierde Engelse troepen hebben hier nogal
huisgehouden, waardoor er niet alleen 60 gulden uit de gemeentekas is
verdwenen, maar vermoedelijk hebben ze – net als de Napoleontische
troepen in de vermaning van Alkmaar – zich ook warm gestookt met oude
notulenboeken en ander ‘oud papier’. Begin 19de eeuw was de gemeente
zelfs bijna op sterven na dood! Dat er een halve eeuw later een nieuw
kerkgebouw geopend werd, mocht dus welhaast een wonder heten! Ik kom
daar nog op. Eerst ga ik nu ook zo’n 480 jaar terug in de tijd en
probeer een globaal beeld te schetsen van het beginnende doperdom in
deze contreien, dat ook als een soort uittocht uit Egypte te beschouwen
is: het breken met de rooms-katholieke traditie die tot aan het begin
van de hervorming hier als enige kerk de dienst uitmaakte.
Melchior Hoffman en het Münsterse extremisme – een lastige erfenis Zoals u weet is het doperdom hier in de Nederlanden geïntroduceerd door
Melchior Hoffman, die in 1530 vanuit Emden zendboden, apostelen, naar
Friesland en Holland stuurde om de mensen op te roepen de kerk van Rome,
haar Paus en de beeldengodsdienst, haar ceremonieën en rituelen te
verlaten, geen missen meer aan te horen, niet te geloven dat Christus’
lichaam werkelijk aanwezig zou zijn in de hosties, noch de kinderdoop
toe te passen. Dat waren in hun opvattingen allemaal menselijke
bedenksels die niet gestoeld waren op het evangelie, noch op de praktijk
van de eerste gemeenten waarover in de Handelingen geschreven werd.
Wilde men werkelijk Christus navolgen, dan gold enkel het Nieuwe
Testament als enig en waar richtsnoer voor het leven. Bovendien was de
bijbel er voor iedereen – niet voor een gestudeerde elite van theologen
en bisschoppen, enkel in het Latijn, maar (en dat hebben we aan Luther
te danken) ook in de eigen volkstaal. De dopers van Melchior Hoffman
gingen daar aanvankelijk zeer letterlijk mee om. Was het volk van Israël blijkens het Oude Testament er in al die eeuwen
niet in geslaagd zich aan de Wet van Mozes te houden – ook de tempel van
Salomo zou weer verwoest worden – zo moest in de doperse visie het
nieuwe, geestelijke volk van Israël zich geheel richten naar Christus en
zijn evangelie. De eerste door de apostelen gestichte gemeenten, die
veel vervolging hadden gekend, vormden daarvoor het voorbeeld. Toen
echter de Romeinse keizer Constantijn de Grote in 325 op het concilie
van Nicea een pact had gesloten met de kerk, was dit apostolische
gemeente-ideaal om zeep gebracht, omdat toen Kerk en Staat één waren
geworden. Anders dan de andere hervormers, zoals Luther, Zwingli en
later ook Calvijn in praktijk brachten, door hun kerkhervorming met
steun van de overheid tot stand te brengen, riepen de dopers op om
vrijwillige gemeenten te stichten, die los stonden van elk staatsverband
en waarin niet de wetten van de wereldlijke vorsten, maar alleen die van
Christus, de hemelse koning, moesten gelden. En zo verkondigden zij, in
navolging van Jezus, die door Johannes de Doper gedoopt was, daarom ook
de volwassendoop. De dopers gingen weer terug naar de apostolische ‘roots’ en braken dus
niet alleen radicaal met de Kerk van Rome, maar zij plaatsten zich
bovendien buiten elk staatsverband. Kerk en Staat – eerst keizer Karel V
en later diens zoon, de koning van Spanje, Philips II – beschouwden hen
daarom prompt als vijanden, als ketters die streng vervolgd moesten
worden. Anabaptisten of wederdopers werd hun scheldnaam. De vervolging
verergerde, toen Hoffman zich als profeet begon te manifesteren. Hij
voorspelde namelijk dat het einde der tijden nabij was en dat daarom
alle mensen zich moesten bekeren, het oude zondige, katholieke leven
afzweren, en dankzij de volwassendoop een nieuw geestelijk mens worden,
opdat zij zich bij de 144.000 uitverkorenen, zoals in het boek
Openbaring voorspeld was, konden voegen, die het eeuwige rijk van
Christus, het Nieuwe Jeruzalem, zouden mogen binnentreden. Natuurlijk weet u dat dit de opmaat zou vormen tot de roemruchte
geschiedenis van het Münsterse doperdom. Vanaf begin 1534 zou dat nieuwe
Godsrijk in Münster gevestigd worden; daar manifesteerde Jan van Leyden
zich als de grote profeet en zelf benoemde koning. Eigenhandig en met
gebruikmaking van grof geweld hielp hij God een handje om die
apocalyptische heilstaat te verwezenlijken. Ook in deze contreien
raakten steeds meer dopers – overigens lang niet alle – in de ban van
dat nieuwe Godsrijk. Het is nu moeilijk meer voor te stellen hoe zulk
geloofsfanatisme zich destijds zo heeft meester kunnen maken van
nuchtere Friezen en Hollanders die heilig geloofden dat Christus spoedig
op aarde terug zou keren. Toch mogen we hun bezetenheid, opgehitst door
onheilsprofeten, nu wel vergelijken met verschillende vormen van star
fundamentalisme, met extremisme, en zelfs met terrorisme, zoals we die
nu onder sommige moslimgroeperingen kunnen waarnemen.
Broeker
ketters Wat we hiervan nu ook mogen vinden – doopsgezind Nederland is maar mooi
opgezadeld met die lastige erfenis uit het verleden – feit is dat ook
tal van dopers uit deze omgeving zich hebben laten opzwepen om naar
Münster af te reizen. Zo bijvoorbeeld in het voorjaar van 1534, toen de
Noord-Hollandse broeders en zusters (‘bondtgenooten’ noemden zij zich)
opgeroepen werden om al hun bezittingen te verkopen en, voorzien van
wapentuig, per schip over de Zuiderzee naar het Bergklooster bij Hasselt
te varen, om vandaar op 21 maart gezamenlijk naar Münster
op te trekken.
Onder die tientallen schepen bevond zich ook een boot met zo’n 50
Texelse dopers. En daaronder bevond zich minstens één broeder uit Broek
op Langedijk, die we bij naam kennen: Jacob Rem.4
Die hele onderneming is overigens op een mislukking uitgelopen: aan de
overzijde van de Zuiderzee werd de hele vloot al bij Genemuiden
opgewacht door snel opgetrommelde soldaten. Vele Münstergangers werden
gedood, of verdronken simpelweg, maar een meerderheid wist te ontkomen.
En zo zou ook Jacob Rem na een lange omweg weer op Texel terugkeren,
waar hij echter werd opgepakt. Men heeft hem nog op 14 december 1534
verhoord (dankzij de bewaard gebleven procesverslagen kennen we zijn
lotgevallen), maar sindsdien is hij kennelijk gevlucht. Bovendien kennen
we nog twee Broekers, die weliswaar niet ‘op de scepen’ waren, maar die
wel als wederdopers in 1534 waren opgepakt: het echtpaar Griete en
Pieter Syboutsz.5
Zij hadden zich eerder in Nieuwe Niedorp – destijds een broeinest van
dopers – laten herdopen. Griete heeft vier jaar gevangen gezeten, maar
toen ze in 1538 zou worden voorgeleid voor de rechter, bleek ook zij
gevlucht te zijn. Hoezeer deze hele Münsterse toestanden de autoriteiten
op de kast had gejaagd, is ook goed op te maken uit het bewaard gebleven
verslag van maart 1535 over een zoektocht naar ketters in deze omgeving.6
De directe aanleiding voor deze ketterjacht had de beruchte naaktloperij
in Amsterdam gevormd, in februari dat jaar: toen hadden
7
mannen en 5 vrouwen spiernaakt – stelt u zich voor: midden in de winter
– op straat de naakte waarheid verkondigd: iedereen moest zich bekeren
om Christus’ komst mee te kunnen maken. De overheden waren daarom
doodsbenauwd dat ook Amsterdam tot een tweede Münster zou worden.
Zodoende stroopten zij sindsdien heel Noord-Holland af om dopers op te
pakken en om te brengen (met name de waterrijke Zaanstreek zat er vol
mee). Ik laat u nu enkele passages horen uit het rapport dat opgemaakt
is door legeraanvoerder Escornaix die met zijn manschappen in
Monnikendam gelegerd was, waar ook kettermeester Lodewijk Brunt kantoor
hield, die ook mee op inspectie was, evenals de provoost, de
gevangenisopziener, van Purmerend, ene Visscher.
Men ging op 11 maart van Purmerend per schuit naar Nieuwe Niedorp, om
daar met voetvolk de weg te bezetten. Het blijkt dat de anabaptisten overdag
wegvluchten, maar ’s avonds naar hun huizen terugkeren – zij werden
kennelijk gewaarschuwd. Toch worden er ’s ochtends vroeg twee mannen en
één vrouw gearresteerd; omdat ze bij hun valse leer blijven, zijn ze
zonder vorm van proces in Nieuwe Niedorp aan drie galgen opgehangen.
Daarna heeft men het huis van Jan Walichsz gesloopt, waar, zo is
verteld, doperse bijeenkomsten worden gehouden [dat was nog eens
lik-op-stuk-beleid!]. Vervolgens is een edict uitgevaardigd dat elke
inwoner alle dopers moest aanbrengen, op gevaar van eigen leven en
verbeurdverklaring van alle eigendommen. Na de lunch wordt de schepenen
van Oude en Nieuwe Niedorp en Winkel de wacht aangezegd, omdat zij veel
te laks zijn tegen de dopers, die zich ‘in grooten getaele hem langen
tijt onthouden hadden bynnen den voorsz. Dorpen’. De dorpsbestuurders
beklagen zich erover dat zulks geen doen is, omdat veel van die dopers
tot hun eigen vrienden en familieleden behoren. Daarna komen de
boetelingen bij hen; enkelen daarvan waren gevlucht en nooit meer in de
kerk geweest. De twaalf die wel zijn komen opdagen, verklaren zich weer
bij het oude Christengeloof te houden. Op 13 maart vertrok men naar Schagen. In Sint Maarten verklaren de
pastoor en de schout dat de eerdere herdoopten weer in de kerk komen,
uitgezonderd drie mannen die door het Hof van Holland verbannen zijn,
maar die zich in Groet schuilhouden. Mochten die terugkomen, dan moeten
ze onmiddellijk gesnapt worden – gebeurt dat niet, dan moeten schout en
pastoor voor hun eigen leven vrezen. Op 14 maart voer het gezelschap via Warmenhuizen naar Scharwoude en de
Langedijk, ‘aldaer veel ende diuersche annabaptisten hen te onthouden
plagen’. Sommigen hebben weer boete gedaan en zijn in de moederkerk
teruggekeerd, met uitzondering van de weduwe van Jan Zyboutszoen, met
‘haer kinderen, ende enige anderen’, die allemaal gevlucht zijn. Omdat
er zeer onlangs nog in het huis van de weduwe geheime bijeenkomsten zijn
gehouden, heeft men ‘t huijs doen demolijeren’ [slopen]. De boetelingen
verklaren dagelijks weer naar de kerk te gaan, met uitzondering van twee
zusters, die eveneens op de vlucht geslagen zijn. Daarna is het
gezelschap naar Alkmaar vertrokken, voor verdere inspectie en overleg.
Ik las op jullie website dat veiligheidshalve het jaartal 1666
aangehouden wordt als oudste vermelding van het bestaan van de Broeker
gemeente. Na het voorgaande durf ik de bewering wel aan dat we in ieder
geval als de oudst vermelde plaats van samenkomst voor de Broeker dopers
het op 14 maart 1535 verwoeste huis van de weduwe van Jan Syboutszoon
mogen beschouwen. Met andere woorden, over twee jaar al, in 2010, staat
de Langedijk weer een nieuw herdenkingsjaar te wachten: dan van 475 jaar
doperdom in deze streek!
Het
moeilijke verhaal van Menno Simons Hoe dat ook zij, na deze eerste, zeer roerige periode is het Menno
Simons geweest, de voormalige Friese pastoor van Witmarsum, die vanaf
1539 uit de puinhopen van het mislukte en neergeslagen Münsterse
geloofsexperiment weer een gemeenschap moest zien op te bouwen van
nuchterder en vreedzamer aard. Maar dat zou voor Menno en de zijnen een
zeer lastig verhaal worden, omdat juist door die Münsterse ellende alle
wereldlijke en kerkelijke overheden nog meer gebeten waren op alles wat
naar de doperse leer riekte, dan ooit te voren. Vanaf 1535 zouden
inquisitie en justitie feller dan voorheen het op deze ketters voorzien
hebben. Ook op Menno’s hoofd werd al spoedig een beloning gezet van 250
Carolus guldens. Menno werd een nieuwe kerkleider-op-de-vlucht! Dat hij
er desondanks toch in geslaagd is het doperdom een nieuw, bijbels en
vreedzaam gezicht te geven, mag daarom welhaast een wonder heten en
dwingt dan ook veel respect af. Van meet af probeerde Menno de overheden
mild te stemmen. Hij wees elke connectie met de Münsterse dopers
resoluut van de hand; hij moest niets hebben van dat dwaze
profetengedoe; hij preekte volkomen geweldloosheid. Zijn mensen zouden
zich aan elke overheid onderdanig onderwerpen, belasting betalen en
trouw burgerschap tonen, tenminste zolang de overheid zich niet bemoeide
met het vrije, persoonlijke geweten, met de eigen particuliere
geloofsopvattingen. Niet een vorst of een keizer, noch een bisschop of
een paus mocht zich het recht toe-eigenen om te beschikken over het
menselijke geweten. Daarin, in geloofszaken die op de zuivere, bijbelse
leer gebaseerd zijn, mag alleen God het laatste oordeel vellen. Maar hoe Menno ook probeerde om de overheden gunstig te stemmen, en zich
beriep op enkel het evangelie, dat alles kon niet verhinderen dat hij en
zijn aanhang in de ogen van de keizer en de koning – ijverige
verdedigers van de enige ware katholieke moederkerk – als verwerpelijke
ketters en staatsgevaarlijke oproerlingen werden beschouwd. De kerk van
Menno Simons, Nederlands eerste en enige hervormer, bleef genoodzaakt
een illegaal, ondergronds bestaan te leiden. Honderden, duizenden
dopers, toen al mennonisten of mennonieten genoemd, zouden ons land dan
ook ontvluchten en asiel zoeken in het huidige Polen. En wie zo
ongelukkig was om opgepakt te worden, belandde in het gevang, werd aan
scherpe verhoren en martelingen onderworpen, om uiteindelijk op de
brandstapel te belanden, of te worden onthoofd, opgehangen, of met
stenen aan het lijf gebonden in het water gegooid. Deze vervolgingstijd
zou tot omstreeks 1575 duren, zo’n 40 jaar lang. In totaal heeft ze zo’n
2000 mannen en vrouwen het leven gekost: mensen die met de dood voor
ogen vast hebben gehouden aan hun geloof en hun principes. Veel van die
geschiedenissen kennen we nog dankzij de vele 16de-eeuwse
martelaarsliederen en -verhalen die in de zogenaamde martelaarsspiegels
verzameld zijn. Of er toen ook al op de Langedijk zo’n clandestiene
gemeente functioneerde, is niet met zekerheid vast te stellen, maar
lijkt wel aannemelijk te zijn. Ik maak dat op uit een verslag van
verschillende dorpspastoors die op 19 december 1567 – 6 jaar na Menno’s
dood – rapporteerden over de ‘infectie der mennonisten’ binnen hun
parochies.7
In Groet vertelde pastoor Cornelis Bartholomeus: Er zijn nogal wat
mennonisten, waarvan sommigen zich willen beteren, terwijl anderen bij
de ‘valsche leringe’ blijven. Int Scherwoude was volgens pastoor Willem Claesz de situatie deze: twee
of drie van zijn parochianen zijn ‘geïnfecteert …metter secten van Menno
…welcke secte haer seer verspreidende is in den lande van Westfriesland tusschen
simpele en leecke lieden.’ Over Broek op Langedijk meldde pastoor Jan Jansz: sommigen van zijn
parochie hebben zich hier ‘onder de secte van Menno’ begeven, zoals ‘Jan
Reynsz, geboren van Sint Maerten, wesende een landman, en nog Rem Dircksz, Jan
Jansz, Theunis Simonsz, Simon Aelbrechts en Symon Symensz.’
Dat doet dus sterk vermoeden dat deze voormalige katholieken hier, of in
de directe nabijheid, al een clandestiene menniste gemeente hadden
gevestigd.
De ideale
gemeente volgens Menno Menno Simons heeft er veel werk van gemaakt om zijn gemeenten zo zuiver
mogelijk op evangelische, Nieuwtestamentische grondslag in te richten.
‘In de wereld, maar niet van de wereld’, was het algemene motto. Van
alle lidmaten verwachtte hij een strenge, ethische houding. Niet zo zeer
in de leer, als wel in het dagelijkse leven moest de zuiver evangelische
boodschap en mentaliteit tot uitdrukking komen. Wie zich ooit welbewust
en volmondig bekeerd had om een leven te lijden in navolging Christus,
moest daar elk moment van de dag, onder alle omstandigheden, gehoor aan
geven en daaraan alle consequenties verbinden, tot in de dood toe, zoals
Christus eens aan het kruis gestorven was. De gemeente moest daarom
‘zonder vlek of rimpel zijn’, zo verkondigde Menno. Ieder lid diende
zich gewetensvol en doordrongen van die navolging zo zondeloos en zo
zuiver mogelijk te gedragen. De gemeente diende zodoende een ‘gemeente
van heiligen’ te zijn. Gevolg was dat naarmate de gemeenten groeiden,
het noodzakelijk werd een steeds strengere gemeentetucht te hanteren.
Wie over de schreef ging, werd uit de gemeente gezet, verbannen! De
overige gemeenteleden mochten dan niet met zo’n gebannen lid omgang
hebben, opdat zij zelf niet besmet zouden raken met zondig gedrag. Dat
heette destijds de ‘mijding’. Dat ging soms zo ver, dat zelfs
echtgenoten van elkaar op gezag van de dienaarschap (de leraar en de
kerkenraad), van elkaar gescheiden konden worden, wanneer een van tweeën
een banwaardige zonde had begaan. Deze huwelijksmijding en andere
strenge vormen van gemeentetucht zouden dan ook, vooral na Menno’s dood,
tot een hoop gedoe en ellende leiden, met tal van splitsingen in vele
richtingen tot gevolg. Dat laat evenwel onverlet dat Menno zijn hoge ideaal over de gemeente
van heiligen als veruit het belangrijkste van zijn leer heeft beschouwd.
Hij heeft daar herhaaldelijk uitdrukking aan gegeven, in uitsluitend aan
de bijbel ontleende taal en beelden. Menno hield niet van theologiseren:
de tekst van de bijbel was rijk, helder en duidelijk genoeg om daaruit
het juiste geloof in Christus en zijn navolging te putten. Alle
theologische, en dus menselijke studie leidde maar van die bijbelse
waarheid af: ‘hoe geleerder, hoe verkeerder’, was zijn motto. Geloof was
geen kwestie van woorden en academische spitsvondigheid, maar van doen! Een mooi voorbeeld van hoe Menno bijbels uitdrukking gaf aan dat
gemeente-ideaal is te vinden aan het slot van zijn bekendste geschrift,
het Fundamentboek, dat van 1539 dateert. Hij gebruikt daarvoor de zeer
poëtische taal die hij vooral aan het Hooglied heeft ontleend. Zoals u
weet wordt het Hooglied ook wel aan Salomo toegeschreven (en voor Menno
is Salomo de voorafschaduwing van Christus) en daarom sluit deze
passage, waarvan ik enkele fragmenten voorlees, toch ook weer mooi aan
bij de inwijdingspreek van dominee Inne Taconis uit 1858.8
Ik ben zeer benieuwd of u zich, hier en nu, nog enigszins in kunt
herkennen:
Hoor hoe Jezus Christus, de bruidegom, tot zijn bruid, de gemeente,
spreekt. O bruid van God, hoor de stem van uw bruidegom; u, vriendin van de Heer, sta op
en versiert u zichzelf, tot eer van uw koning en bruidegom: hoewel u rein bent,
reinigt u nog meer; hoewel u heilig bent, heiligt u nog meer, en hoewel u rechtvaardig
bent, rechtvaardigt u nog meer. Versiert u met dat witte zijden gewaad van de
gerechtigheid, hang om uw hals de gouden ketting van vroomheid, omgordt
u met de gordel van de broederlijke liefde, neemt aan de trouwring van het
waarachtige geloof, verguldt u zichzelf met dat edele, fijne goud van het Goddelijke Woord,
versiert u zich met de parels van allerlei deugden; wast u zich met dat heldere water
der genade, en zalft u zich met de olie van de Heilige Geest; laat heel uw lichaam
zuiver en rein zijn, want uw vriend haat alle rimpels en vlekken. Op die manier zal hij zich
verlustigen aan uw schoonheid. Hij zal u prijzen en zeggen: hé hoe mooi zijn uw
borsten, mijn zuster: lieve bruid, uw borsten zijn lieflijker dan wijn, en de reuk van
uw zalfjes gaat alle kruiden te boven, uw lippen zijn als druipend honingvocht, onder uw
tong proeft het naar honing en melk. [Vergissen we ons niet: Menno denkt volstrekt
niet in termen van ‘beauties’ en ‘babes’, waarmee onze tijd van pornoficatie zo
vol van is – voor hem telt enkel de geestelijke schoonheid, de zuiverheid van de
gemeente]. En dan beschrijft Menno in gelijke termen, zo niet nog fraaier, de
bruidegom, Christus: hij is de schoonste van alle mensenkinderen. Hij heeft u
uitverkoren, zich over u ontfermd, zich zijn leven aan u toegezegd, hij heeft uw
onzuiverheden gezuiverd, uw bloed afgewist, met balsem gezalfd, met geestelijke kleren
bekleed; hij heeft een eeuwig verbond met u gemaakt; hij heeft u in de slaapkamer van
zijn liefde binnengeleid en gekust met de mond van zijn vrede. Wat een lieflijke en goedmenende bruidegom, hoe een genadige koning moet
dat wel niet zijn, die u bruid, gemeente, u die ooit een arme, met
zweren geschonden, geminachte, ja zelfs een hoerachtige dienstmeid was [dit zijn
verwijzingen naar de verkettering en de vervolging van zijn mennisten], uitverkoren heeft tot
zo’n hoge vrouw, bruid en koningin. Hij heeft zich alle moeite, werk en onkosten
getroost om u tot de allerschoonste, zuiverste, waardigste en edelste vrouw aller
vrouwen te maken. De winter is vergangen [dat wil zeggen: de tijd van het oude Israël en
de Wet zijn voorbij, maar eveneens de tijd van de katholieke overheersing], en
de vruchtbare, lustelijke mei is nu aangebroken [de tijd van het evangelie, van genade,
maar ook die van zijn menniste gemeenschap]. De lieflijke bloemen ontspruiten aan
alle kanten, de tortelduif koert, het heilzame heilige Woord, het Woord van boete en
genade, van de eeuwige vrede klinkt nu uit alle monden, uit alle schriften, en wordt
betuigd met leven en dood in vele landen. Vrees niet, u kleine vergadering [elders spreekt Menno ook wel over de
‘cleyne kudde’], gemeente, want het gelieft de Vader om u dat eeuwige
rijk van genade en eeuwige vrede te geven – niet het uiterlijke rijk van Assyrië,
Perzië of Rome. Neen: het hemelse, geestelijke Jeruzalem, uw geestelijke stad, uw
geestelijke huis. Houdt door de band van vrede die eenheid bewaard, want alle leden
van de gemeente – u zelf bent die tempel – vormen één huis, één stad,
één lichaam en één gemeente in Christus.
Menno dacht dus volstrekt niet in termen van het uitwendige van een
gebouw, een kerk – dat was in zijn tijd van illegaliteit natuurlijk ook
nog volstrekt ondenkbaar. Voor hem bestond de gemeente uit levende
tempels, van alle gemeenteleden tezamen. God woont dus niet in een huis
van hout of steen, maar in de geest en het lichaam van ieder mens.
De nieuwe Broeker vermaning van 1858 als fenomeen van opbloei Keer ik nu dan tot slot nog terug naar de tijd dat dominee Taconis in
1858 dit vermaanhuis voor de levende Broeker tempels zo plechtig
inwijdde, met vermoedelijk een meer aan zijn tijd aangepast
gemeentebegrip. Zoals ik al eerder vermeldde, zat niet alleen Broek op Langedijk, maar
heel doopsgezind Nederland rond het midden van de 19de eeuw weer in de
lift. Daarvóór was dat nog totaal anders. Had tegen het einde van de
17de eeuw de broederschap nog zo’n 60 à 70.000 lidmaten geteld, toen de
nog jonge vermaner Jan Enigenburg hier in 1806 met preken was begonnen,
waren daarvan landelijk nog nauwelijks 25.000 lidmaten over [er zijn dus
wel meer barre tijden geweest]. Het is vooral na 1848 geweest dat het
klimaat in Nederland ten goede keerde: de economie bloeide weer op en
ook het kerkelijk leven herstelde zich zienderogen. Ook onder
doopsgezinden. Alom in deze tijd, zo tussen 1850 en 1870, werden in meer
dan de helft van de Nederlandse gemeenten oudere kerkgebouwen
gerenoveerd of nieuwe gebouwd. De vergunningen daarvoor moesten worden
goedgekeurd door het Ministerie van Waterstaat. Omdat al die nieuwe
vermaningen zo op elkaar leken, ook deze van Broek, zei men daarom wel
eens spottend: ‘Wat er staat, is waterstaat!’. Om u een indruk te geven
wat er hier in Noord-Holland boven het IJ toen aan doopsgezinde
bouwactiviteiten plaats vond, som ik wat jaartallen en plaatsen op:9 1850: Westzaan (Noord): nieuwe gevel en verbouwing; 1851: Wormer: nieuwe kerk; 1852: Wormerveer (op het Noord): kerk verbouwing; 1853: Alkmaar: nieuwe voorgevel en een nieuw interieur; 1853: Den Helder: nieuwe kerk 1856: Oost-Graftdijk: nieuwe kerk; 1857: Den Burg op Texel: aanzienlijk vergroting van de kerk; 1857: het vermaninkje van Oude Niedorp werd gesloopt (er waren geen
leden meer); ook het vermaanhuis van Nieuwe Niedorp was te bouwvallig,
zodat daar ‘een geheel nieuwe gesticht’ werd, die ’25 Oct. 1857 het
eerst gebruikt werd, bij welke gelegenheid haar leraar [Inne Taconis]
eene feestrede hield over 1. Kon.8:29, 30’ – dezelfde die hij dus een
jaar later in Broek op Langedijk nog eens zou houden!10 Ook na 1858 werd er nog driftig doorgetimmerd: 1859: Wieringerwaard: nieuwe kerk; 1861: Purmerend: nieuwe kerk; 1861: Zaandam (Oostzijde): nieuwe kerk; 1861: Sint Hippolytushoef: nieuwe kerk. Wat uw gemeente hier toen gepresteerd heeft, moet nog steeds respect
afdwingen. Want gaat u maar na: de gemeente was in 1858 nog steeds, al
vier jaar lang, vacant, terwijl het lidmatenaantal niet meer bedroeg dan
33 – nog niet eens de helft van de dik 70 leden en vrienden die nu bij
de gemeente betrokken zijn! De Broekers van destijds hebben zich niet
laten afschrikken door deze geringe cijfers, integendeel: hun ambities
waren hoog. Zo stuurden zij in februari 1856 aan alle gemeenten in
Nederland een gedrukte circulaire, een bedelbrief, om niet alleen de
bouw van een nieuw kerkgebouw – het oude houten gebouwtje met rieten dak
aan de Voorburggracht was te bouwvallig geworden – maar ook van een
nieuwe pastorie te bekostigen.11
De totale bouwkosten werden op zo’n 7.500 à 8.000 gulden geraamd. In die
brief wordt gemeld dat men f 200 toegezegd had gekregen van de Rijper
Sociëteit; dat een inschrijvingslijst onder de gemeenteleden zo’n f
1.000 had opgebracht, terwijl de waarde van het oude vermaanhuis geschat
werd op f 300. Totaal had men op eigen kracht dus al zo’n f 1.500 in
kas.De kerkenraad, die zich toen nog opzieners noemden, te weten: J.
Dirkmaat, A. van Bommel, J. Kroon en D. Dirkmaat, drongen daarom aan op
de offervaardigheid van de andere gemeenten. Zij hoopten op een gunstige
reactie, met het oog op de ‘verheerlijking van God en Jezus Christus, en
instandhouding en opbouw eener wel kleine Gemeente, doch wier
hartewensch het is, in den rei der Doopsgezinde Gemeenten te blijven
staan.’ Toch zou de gemeente niet het volle bedrag bij elkaar krijgen. Blijkens
de dankcirculaire die in januari 1859 – na de opening dus – naar alle
gulle gevers werd verstuurd (heel opvallend noemden de opzieners zich
toen: kerkenraad), waaronder de A.D.S., de Haarlemse Vrienden en 37
gemeenten, was er uiteindelijk een bedrag van f 3.009,77 binnen gekomen,
wat verhoogd met de eigen middelen van f 1.000 in ieder geval genoeg was
geweest om de vermaning te bouwen. Het ontwerp was gemaakt door de jonge
Alkmaarse broeder en later beroemde stadshistoricus Cornelis Willem
Bruinvis – dat zal wel een vriendendienst zijn geweest.12
De totale bouwkosten waren uitgekomen op f 3.452,55, zodat de rest van
het geld in een fonds werd belegd voor de bouw van de pastorie. Die
pastorie zou zes jaar later, in 1864, daadwerkelijk gebouwd worden: het
huidige pand aan de Dorpsstraat 112. Dominee Taconis zou nog vele jaren als gastpredikant hier eens in de
veertien dagen een dienst houden. Eventjes kwam hier in 1861 de pas
afgestudeerde proponent van het Seminarium op de kleine preekstoel (die
nog uit het oude vermaanhuis afkomstig was), Aemilius Wybrantsz, maar op
20 juli 1862 vertrok deze alweer, naar de gemeente Edam. Opnieuw zou
Taconis telkens weer zijn preekbeurten moeten waarnemen. Pas op 1
oktober 1865 hield ds. D. Lodeesen (eerder leraar van Knollendam) zijn
intreepreek; hij werd dus de eerste bewoner van de nieuwe pastorie. Hij
verwelkomde zijn nieuwe gemeente met een preek over 1 Kor. 8:1, ‘De
liefde sticht’. En inderdaad zou het ledental sinds de nieuwbouw weer
gestaag gaan groeien, maar een eeuw later ook weer gaan krimpen.

Lang leve
Langedijk De gemeente mag dan nog steeds bescheiden van omvang zijn, wel heeft
hopelijk mijn hink-stap-sprong-verhaal door de zeer fragmentarische
Broeker geschiedenis laten zien dat deze gemeenschap vanaf het prilste
begin haar doperse vitaliteit al van ouds her heeft ontwikkeld èn
behouden. Of we het met alle gemeenteopvattingen van al die vorige
geslachten, hetzij ondergronds, hetzij bovengronds, nog steeds eens
kunnen zijn, is eigenlijk niet belangrijk. Elke tijd stelt nu eenmaal
weer zijn eigen vragen aan telkens weer nieuwe generaties. Dat is
doopsgezinden zeer eigen: flexibel zijn in doen en denken. Alles, niet
alleen vermaningen, maar ook de ideeën over gemeente-zijn worden na ooit
met zorg te zijn opgebouwd ook weer vertimmerd, gerenoveerd of zelfs
gesloopt – al naar gelang de eisen van de tijd. Bovendien leert de
Broeker geschiedenis dat levenskracht niet staat of valt met het
uiterlijk van haar tempel, noch met de macht van het grote getal, maar
met de inspiratie die slechts een ‘klein hoopje’ aan dat eeuwenoude
evangelie ontleent. En welke Fries u dat op zijn manier ook voorhoudt,
of hij nou Menno Simons heet, Inne Taconis, Bart Santema of Piet Visser,
dat doet eigenlijk niet ter zake. U moet het namelijk allemaal zelf
doen! En ook daarmee feliciteer ik u van harte. Ik wil u dan ook
aanraden daarmee vooral rustig door te gaan.
Voetnoten
1
Doopsgezinde Bijdragen (1861), p. 157.
2
In de handschriftenverzameling van de Doopsgezinde Bibliotheek,
Universiteitsbibliotheek van Amsterdam bevindt zich een verzameling van
34 preken van leraar Dirck Cornelisz Keyser, ingenaaid in oude omslagen,
uit de periode 1723-1744, plus nog een lijkpredicatie op hem door
vermaner Dirk Cornelisz de Vries (Hs. XXVII-722). Enkele van die
omslagen zijn gedrukte preekbeurtlijsten, zgn. ‘beurtceelen’ of ‘beurtcedulen’,
waarin afwisselend voor Koedijk en Langedijk de preekbeurten (ook door
leraren van andere gemeenten) gedurende een jaar werden vastgelegd. Het
betreft de jaren 1735, 1736, 1737 en 1738. Daarnaast is er nog een
beurtlijs voor het jaar 1788, toen Jan de Bleyker hier als leraar stond.
3
Zie ook het artikel ‘Broek op Langedijk’ in de Mennonite Encyclopedia I,
p. 436.
4
Deze geschiedenis is uitvoerig beschreven door Gerard van der Kooi, De
Wynberch des Heren. Godsdienstige veranderingen op Texel 1514-1572
(Hilversum 2005); zie voor Jacob Rem aldaar p. 83, 91, 98-99. 126, 145
en 181.
5
Van der Kooi, Wynberch, p. 121.
6
Doopsgezinde Bibliotheek, UB Amsterdam: Hs. XXVII-101 (een 19de-eeuws
afschrift door J.G. de Hoop Scheffer van het origineel dat zich in het
Nationaal Archief in Den Haag bevindt).
7
Idem, Hs.
XXVII-411 (eveneens een 19de-eeuws afschrift uit het Koninklijk Archief
in Brussel).
8
Ik heb er een ‘hertaling’ van gemaakt in moderner Nederlands. Zie de
Haarlemse facsimileherdruk uit 1989 van Menno’s Opera Omnia Theologica
(Amsterdam 1681), p. 67-69.
9
Deze gegevens zijn ontleend aan de rubriek ‘Kerknieuws’ in Doopsgezinde
Bijdragen 1816, p. 155-167.
10
Idem, p. 162. Na afloop van de lezing werd ik er door mw. Gery
Biesheuvel van de Doopsgezinde Gemeente Nieuwe Niedorp op attent gemaakt
dat dit een vergissing moest zijn, omdat in de gevel van hun vermaning
een gedenkplaat ingemetseld is met de mededeling dat de eerste steen pas
in 1878 gelegd is. Hoewel de vermelde plaats in de Doopsgezinde
Bijdragen 1861 elke twijfel omtrent de juistheid van de inwijding van de
Niedorper vermaning in 1857 uitsluit, vond ik desalniettemin in
Doopsgezinde Bijdragen 1880, p. 165 de volgende mededeling: ‘Niedorp. De
gemeente kwam den 9en Maart [1879] voor ’t laatst in haar oud kerkgebouw
samen en vergaderde veertien dagen later voor ’t eerst in het nieuwe.
Bij die gelegenheden sprak Ds. Van der Meulen over Ps. CXVI:12 en over
Nehem. VI:10 in ’t midden.’ Hoe dat nu precies zit met twee nieuwe
kerkgebouwen binnen ruim 20 jaar is mij nog een raadsel.
11
Deze circulaire, alsmede de nog te noemen dankcirculaire (waaraan ik de
volgende gegevens heb ontleend), bevinden zich in het archief van de
Verenigde Doopsgezinde Gemeente Amsterdam, Stadsarchief Amsterdam,
Toegangnummer: 1120, inventarisnummer: 909. Daarbij zit ook nog een
brief van 8 april 1856 van de hand van het Broeker kerkenraadslid A. van
Bommel, waarin hij de Amsterdammers nog een uitgebreide toelichting
geeft op het ontwerp van vermaning en pastorie, en een nadere
specificatie van de geraamde bouwkosten.
12
Dit weten we pas sinds kort dankzij de studie van mw. Carla Rogge, De
Doopsgezinde Kerk van Alkmaar. Een verkenning van het kerkgebouw aan de
Koningsweg (Alkmaar 2008), p. 17. Zij heeft hierover, voorafgaand aan
mijn lezing, nog een korte mededeling gedaan.

|
|