Historie 150 jaar lezing door Prof.P.Visser
150 jaar vermaning
150 jaar historie
Doopsgezinden in BOL
Orgel
Hans de Ries
 

DEF

ABC

 

DEF

 

ABC

 
Doopsgezinden in BOL

De Doopsgezinde Gemeente in Broek op Langedijk houdt de datum van 30 november 1666 min of meer als officiële oprichtingsdatum aan. Er zijn echter gegronde redenen om aan te nemen dat het geen honderddertig jaar heeft geduurd voordat volgelingen van de Friese prediker Menno Simons vanaf Alkmaar naar de "Lange- en de Koedijk" waren gekomen. In Alkmaar waren de 'ketterse mennisten' al in het begin van de zestiende eeuw actief. In het jaar 1531 worden aan de Ropjeskuil, toen nog de Stropjeskuil, drie 'doperse ketters' met het zwaard onthoofd. De mennisten in heel Nederland hebben het aanvankelijk zwaar te verduren.

 
Ze worden vervolgd vanwege hun ketterse denken. Het feit dat zij het zesde gebod: "Gij zult niet doodslaan" letterlijk opvatten en consequent weigeren wapens te dragen doet hen ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog weinig goeds.Zij moeten derhalve hun diensten in schuilkerken, die zij vermaningen noemen, houden.
 
In Langedijk, dat samen met Koedijk een doopsgezinde gemeente vormt, gaat men met de kloet naar een van de vele eilandjes om daar heimelijk diensten te houden. Het ontbreekt de doopsgezinde kerk tot ver in de achttiende eeuw aan daartoe opgeleide predikanten.
 

De kerkeraad heeft, gedwongen door de gevaarlijke omstandigheden, weinig of geen notulen van de vergaderingen gemaakt. Omdat de oudste teruggevonden geschriften over de doopsgezinden in Langedijk dateren van 30 november 1666 wordt gemakshalve die datum als oprichtingsdatum gehanteerd. In de 'Mennonite Encyclopedia' zijn echter al aanwijzingen te vinden dat de mennisten reeds rond 1550 in Langedijk actief waren. Ongeveer tweehonderdvijftig jaar blijft de doopsgezinde geschiedenis van Langedijk verborgen. In 1798 begint de doopsgezinde schout Dirk Keijzer een onderzoek naar de geschiedenis van zijn kerk en vindt in de archieven de bewuste akte(van overeenkomst) uit 1666 waarin men zich vrijkocht van het dragen van wapens. Daarin staat:
Wij scheepenen en regeerders te Broek op Langedijk bekenne ontvangen te hebben met consent van onze gemeente uijt de hande van deze navolgende Burgers en Inwoonderswesende, alle Broeders van de Menniste Gezintheit als te weten:

 

Jan Dirksz. Keijzer, Gerrit Klaesz., Sijmon Fransz, Aarjen Cornelisz. Haas, Pieter Pietersz. Werf, Jan Pietersz. Werf. Aarjen Pietersz. Ellen, Fedde Folkerts, Gerrit Reijnderts en Dirk Jansz, ider derzelve een somme van agt Carrolingische guldens van XI (40) Grooten ‘t stuk, zijnde te zamen ses en negentig guldens, voor welke voorgeschreven som wij voorschreven Scheepenen deze voorgeschreven personen en alle Menniste gezinde in onze Dorpe woonende belooven te bevrijden van het waken en optrekken met het geweer tegen onze vijandt."

 
DDoor het aanstellen van lekenvoorgangers, raakt de organisatiestructuur van de doopsgezinde kerk in het geding. Het ledental loopt snel achteruit en in 1795 wordt de vermaning in Koedijk gesloten en verkocht. In 1798 is er uitzicht op een kentering ten goede. Dominee Jacob Bleijker is de eerste predikant die voor zijn roeping heeft gestudeerd en hij pakt de verlopen gemeente voortvarend aan. Een jaar later zijn alle mooie dromen gevlogen. De Bataafse oorlog eist ook in Langedijk haar tol. Dorpelingen worden te werk gesteld en de kerkgang wordt schier onmogelijk. Bovendien gaan de ingekwartierde Engelsen met het hele kerkkapitaal van welgeteld 60 gulden aan de haal.

Als in 1810 de staat de rente-uitkering tot een derde verlaagt zit de doopsgezinde kerk in heel Nederland aan de grond. Veel vermaningen gaan dicht, maar de Broekers houden met twintig lidmaten het hoofd boven water. Het kost moeite en het onderhoud van het houten kerkje met het rieten dak aan de Voorburggracht lijdt er flink onder. Hoewel het aantal lidmaten tot 1858 bijna verdubbelt en er dan 35 doopsgezinden zijn ingeschreven blijft het een kleine gemeenschap. Maar dit handjevol mensen weet in 1858 toch een nieuwe kerk te realiseren. Op 29 juli van dat jaar legt J.A. Kroon er de eerste steen voor. Het wordt een piepklein kerkje, dat destijds doelbewust aan het water werd gebouwd, want nog altijd kwamen de Koedijkers kloetend naar de vermaning in Broek op Langedijk.


 

 

Ondanks de aanpassing van een aantal jaren geleden hangt de sfeer van weleer nog immer in de doopsgezinde kerk. Deels is daar de piepkleine preekstoel uit het oude houten kerkje voor verantwoordelijk. De krappe kansel zit de predikant bijna als gegoten. De paar houten banken met de weininge stoelen daarachter ademen de sfeer van kleinschaligheid en soberheid uit.

 
Alleen het Ypma-orgel op het balkon geeft enige status aan het sfeervolle kerkje.Datzelfde orgel werd overigens in 1982 op een heel omstreden manier gerestaureerd. Omdat men geen geld aan de strijkstok van adviseurs wilde laten hangen besloot men rechtstreeks met een restaurateur te onderhandelen. De firma Koch uit Apeldoorn kreeg voor een derde van de vooraf ingeschatte prijs de restauratie-opdracht. Toen op 14 januari 1983 het orgel opnieuw werd ingewijd, protesteerden orgelkenners voor de deur van de kerk tegen de onzorgvuldigheid waarmee men met het orgel was omgesprongen.

 

Orgelliefhebber Gerard Verloop uit Schagen deelde buiten de kerk pamfletten vol kritiek uit en binnen in de kerk zat Jan A. Jong, organist van de Koogerkerk, heimelijk opnames te maken van het eerste concert op het gerestaureerde orgel. Hoewel de doopsgezinde gemeenschap nu nog heel tevreden is over de gang van zaken, menen anderen dat door ondeskundigheid van de restaurateur, die in hun ogen de panelen voorgoed vernielde, het orgel nooit meer tot monument kan promoveren.

Dat het orgel niet vakkundig werd gerestaureerd is enerzijds jammer, anderzijds laat het zien hoe een kleine kerkgemeenschap zich door de eeuwen met weinig geld staande heeft moeten houden.  

Ook de balustrade van het balkon, waarschijnlijk opgetrokken van afvalhout dat keurig wit werd geschilderd, is daarvan ook een typisch voorbeeld.
 
Bob de Mon

naar boven      terug

DEF

ABC

 

DEF

 

 

Orgel

Algemeen
Het orgel is in de kerk geplaatst door de orgelmaker L. Ypma in 1882. De orgelkas werd in 1732 gemaakt door Nicolaas Willembroek voor de Rooms Katholieke Kerk van Limmen. Het is een ambachtelijk vervaardigd instrument, wat grootte en klank betreft geschikt voor het kerkgebouw.

Het heeft een restauratie ondergaan in 1983 door Bernard Koch, waarbij de lade werd gerestaureerd, tractuur werd vernieuwd, de manuaaltoetsen opnieuw werden belegd en de orgelbank werd vervangen.


Kunsthistorische aspecten

Een eenvoudig vijfdelig front met fors geprofileerde kappen aan de ronde middentoren en de spitse zijtorens.
De ruimte tussen de torens wordt naar Hollands gebruik opgevuld door snijwerk. Het snijwerk van dit orgel bestaat uit C-voluten enacanthus-ranken. Het vertoont enige overeenkomst met het snijwerk in de Hervormde Kerk te Ilpendam.


Men lette voorts in het bijzonder op de trapeziumvorm van de scheiding tussen de tussenvelden.

Opvallend zijn de gevleugelde cherubijnen koppen onder de middentoren en in de vleugelstukken. Dergelijk beeldhouwwerk was tevoren in Noord-Nederland vrijwel alleen bij Verhofstadt te vinden.
De beeldjes op het orgel van een zittende David met harp en twee musicerende putti zijn vermoedelijk origineel.


Historische gegevens
 
Bouwers 1. Nicolaas Willembroek

2. L Ypma

Jaren van oplevering

 

1. 1732

2. 1882
Oorspronkelijke locatie Limmen R.K. schuilkerk
L. Ypma 1856 orgel overgeplaatst naar nieuwe kerk
L Ypma 1868 herstelwerkzaamheden
L. Ypma 1882     bouw nieuw orgel in R.K. Kerk te Limmen en kas Willembroek-orgel geplaatst in Doopsgezinde Kerk te Broek op
Langedijk en voorzien van nieuw binnenwerk
Bernard Koch 1983     restauratie

tractuur vernieuwd

manuaal toetsen opnieuw belegd

nieuwe orgelbank

Technische gegevens

Werkindeling manuaal, aangehangen pedaal
Dispositie Manuaal
7 stemmen

Prestant                    8'

Holpljp                       8'

Viola di Gamba           8'

Octaaf                       4'

Fluit                           4'

Quint                         3'

Octaaf                       2'

Werktuiglijke registers ventiel

combinatietrede

Toonhoogte

Temperatuur    

A1 = 440 Hz

evenredig zwevend

Manuaalomvang

Pedaalomvang

C-f3

C-f

Windvoorziening

Winddruk

Plaats klaviatuur

magazijnbalg

65 mm

rechterzijde


 

naar boven      terug

 

DEF

ABC

 

DEF

 

ABC

 

Hans de Ries

Br. Hans de Ries, leider van de waterlandse doopsgezinden.

Hij werd in 1553 in Antwerpen (roomskatholiek) geboren, keek een tijdje rond bij de gereformeerden en liet zich op zijn 23ste dopen bij de mennisten in zijn woonplaats De Rijp. In die plaats werd hij al gauw oudste of voorganger. Hij reisde veel, publiceerde en werd in 1598 predikant in de Alkmaarse doopsgezinde Vermaning. Daar stond hij tot en met zijn dood in 1638.

Een rekkelijk mens; niet voor niets kon hij het goed vinden met de ruimdenkende schrijver / houtsnijder Dirk Volkertz. Coornhert: pleitbezorger voor godsdienstvrijheid. De Ries deelde Coornherts'-ideeën: 'Een streng gemeentebeleid maakt de leden van die gemeente niet zuiverden', oordeelde hij. Hij nam het dan ook niet al te nauw met de 'ban'-instelling die het kerkbesturen mogelijk maakte leden die op een of andere manier hadden gezondigd op het matje te roepen en eventueel uit het midden van de gemeente te verbannen. Welbeschouwd kun je Hans de Ries een van de eerste echte doopsgezinden noemen.

Zijn geloofsbelijdenis (uit 1577) heeft in doopsgezind Nederland en ook in Alkmaar veel invloed gehad. De Ries bracht een speciale wijze van avondmaalsvieren - bij aanzitten - mee en had verder op muzikaal gebied veel inbreng. Vanuit zijn gereformeerd verleden bracht hij het werk van Petrus Dathenus onder de aandacht; diens psalmberijmingen werden ook in doperse liedboeken opgenomen.

Hoewel ze sindsdien ettelijke malen vertaald zijn blijft de inhoud, met veel kennis omtrent het oudtestamentische lied, overeind.
De Ries schreef daarbij veel liederen voor de menniste eredienst. Een, evenals zijn vriend Coornhert, veelzijdig man. Hij wist veel van alchemie en was niet onbekend met de praktijk van de geneeskunde. Maar voor alles blijft hij voor ons de praktische en wijze broeder die wars was van overdreven vroomheid. Zijn ideaal was eenheid brengen in het meerstromenland van de dopers en hij gold als pleitbezorger van vrede en dialoog. Wie zijn levensverhaal kent, vergeet de tijdbarriere tussen hem en de eenentwintigste-eeuwer. Voor mij is hij nog altijd springlevend. ja, hij verdient dat straatnaambord in Alkmaar-Noord*, want een voortrekker was hij!

Jeanne Kleijn-Seijffer


* De Hans de Riesstraat ligt in de wijk
 Daalmeer-noord en is de verbinding tussen de Laan van Keulen en de Ringsloot.

Te bereiken met Connexxion-bus
12, 20, 21 of 25; halte Hans de Riesstraat.
 


De tekst, behorend bij de gravure luidt:

Van't wesen leering straelt: alleen ontbreekter 't leven
Van hem dien God ons als een kleijnood heeft gegeven:
Die vander wiegen tot sijn grysen ouderdom
Den bouw betrachte van 't bouwvallig Christendom:
Die storm op storm versmaende en uytstaende, als een sterke,
Verstrekt een heilsaem sout en licht in Christus Kerke.

naar boven      terug

 

DEF

ABC

 

DEF

ABC

 

150 jaar vermaning

Nu verscholen in één van de WC’s is een gedenksteen waarop staat

Eerste steen

DE EERSTE STEEN
AAN DEZE KERK
IS GELEGD DEN 29
JULIJ 1858, DOOR
ARIE JACOBSZ: KROON
OUD 2 ¼ JAREN


Deze mooie steen stond oorspronkelijk in de wit gepleisterde gang.
De kerk had aan de voorkant 2 deuren (zie foto). Door de rechter deur ging men naar binnen; links was een nepdeur. Men kwam dan in een L-vormige gang; allesFoto van de vermaning rond 1935 wit gepleisterd.
Daar was de deur naar boven naar het orgel, en links een deur naar de consistoriekamer.
In het eerste stuk gang was deze steen geplaatst.
Later na de verbouwing in 1962 , kwam hij in de keuken en na de verbouwing in 2004 in één van de W C’s. De steen is nooit verplaatst maar zijn omgeving is veranderd.
Kleine Arie Kroon is de zoon van Jacob Kroon, toentertijd waarschijnlijk de voorzitter van de kerkenraad.
Ik moet veel zaken veronderstellen, omdat juist rond het jaar 1858 veel informatie, zoals notulen, verslagen, en bouwtekeningen ontbreken in ons archief.

In de familie Kroon komen de namen Arie en Jacob telkens terug; ons lid Jaap kroon is daar het bewijs van. Ook zijn vader , en opa Arie en Jacob Kroon zijn jaren lid geweest van de kerkenraad. Deze Arie is de overgrootvader van Jaap en zijn vader Jacob, is mijn overgrootvader.

In 1856 bezat de gemeente:
“een kerk geschikt voor de Predikdienst, een huis en erve bewoont door de Wed. Jan Enigenburg en verders akkers……”

Ds. Jan Enigenburg is overleden in 1854; hij is vanaf 1806 predikant.

Dit huis en kerk lagen aan de westkant van de dorpsstraat. Het was een langgerekt huis met aan ene kant woonhuis voor de predikant aan de andere was het kerk. Het huis liep van de dorpsstraat tot aan het water.


In mijn jeugd was het vóór een schoenmakerij en achter woonhuis. Op deze plek staat nu het Kruisgebouw, dorpsstraat 215.
De kerk moest aan water liggen, zodat de leden uit Koedijk per boot konden komen. Dit gold ook voor de nieuwe kerk.

Er is een stuk tuin gekocht van de toenmalige huisarts aan de westzijde nu nr. 202.( andere artsen hebben dat wel eens betreurd!)
Bij verbouwingen is gebleken, dat er een buitenmuur binnen in de kerk is. De kerk was waarschijnlijk alleen kerkzaal.

De gemeente , van ongeveer 36 leden had plannen om zowel een nieuwe kerk te bouwen als pastorie.
Na de Eerste Steen legging is de kerk ingewijd op 7 november 1858.
Er zijn 2 intekenlijsten. De leden brachten met elkaar op in 1856 F. 602.-
De andere lijst is van Doopsgezinde Gemeenten in Nederland en deze bracht op
F. 2132.46 ½ . De hulp van andere gemeenten was dus zeer aanzienlijk.

De kerk zal ongeveer f. 3000.gekost hebben; want in 1865 “is de kerk
geassureerd voor f.3000.- en de pastorij van Ds. A van Bommel voor Foto van de vermaning uit 1905
f. 5000.- Dit huis is er nog op dorpsstraat 112. Gebouwd in 1864. Zes jaren na de kerkbouw heeft de kleine gemeente toch ook een pastorie kunnen bouwen.
Op de foto hiernaast (uit 1905) kunt u zien hoe eerst de kerk aan de voorzijde een rozenboog heeft gehad. Op de foto hierboven (uit 1935), kennelijk na de eerste verbouwing, ziet u de voorkant van de kerk met de 2 grote deuren.

In 1964 is de voorgevel veranderd ( jammer genoeg niet gerestaureerd) en is een flinke keuken gekomen en een WC, hiervoor is de voorste gang benut. De ingang van kerk is aan de zijkant gekomen.
De vermaning vanaf 1962Na 1858 is het leden tal gegroeid tot 90 leden in 1900; en 120 leden in 1950.
Vanaf dat jaartal zijn we telkens weer achteruit gegaan in ledental, tot nu ongeveer 50.

Ons kerkgebouw heeft ook laatstelijk weer een flinke verbouwing beleefd. Een Gemeente die leeft bouwt aan haar kerk….zou men bijna kunnen zeggen.

Maar hij blijft voor leden, vrienden en belangstellenden een kostbaar en dierbaar HUIS om ons geloof in te belijden.

Lies Dirkmaat.
Mei 2008

naar boven      terug

 
 
 

150 jaar historie

In 1858 wordt gestart met de bouw van de huidige vermaning. De oude vermaning, aan de Achterburggracht, wordt te bouwvallig en herstel hiervan is te duur.
Helaas weten we van de nieuwbouw niet van wie het ontwerp is, wat het heeft gekost en wie het heeft gebouwd.

We weten wel dat het een enorme prestatie genoemd kan worden omdat de gemeente toen amper 35 leden telde. Ook is bekend dat de huidige preekstoel afkomstig is uit de oude vermaning.

De nieuwe vermaning werd gebouwd naast de dokterswoning op de Dorpsstraat.
Op 29 juli 1858 wordt de eerste steen gelegd en op 7 november van datzelfde jaar wordt de eerste dienst gehouden.1905

Hiernaast ziet u de oudst bekende foto van de vermaning; uit 1905, met geheel links dokter Hamaker.

De voorgevel van de vermaning liep toen gelijk met de voorgevel van de dokterswoning en had een rond raam en één deur.

Vóór de vermaning heeft jarenlang een rozenboog gestaan.

In 1905 werd een fors stuk aan de voorzijde aangebouwd omdat er behoefte was aan een consistoriekamer. Het gebouw kreeg een nieuwe gevel met een prestigieus uiterlijk.

1935Aan de rechterzijde een dubbele deur en aan de linkerzijde een “nepdeur” om het geheel symmetrisch te maken. Daar tussenin een fraai raam met glas in lood. (Zie de foto hiernaast uit ongeveer 1935).

Deze situatie heeft geduurd tot 1962. In dat jaar is de voorgevel verbouwd. Gezien de slechte staat van de gevel was dit de enige optie. Het glas-in-loodraam is vervangen; de fraaie deuren zijn verwijderd en er is aan de zijkant een nieuwe toegang gemaakt.

Binnen kwam een gang, een toilet en een mooie keuken. Dit heeft onveranderd gestaan tot 2002.
1962 tot heden
In 2002 is er intern een kleine verbouwing geweest: de keuken is wat kleiner gemaakt om ruimte te maken voor een tweetal toiletten. Aan de buitenzijde is de Vermaning onveranderd gebleven; alleen de toegangsdeur draait nu naar buiten.

Hieronder ziet u de indeling van de vermaning vanaf het jaar 1858


 

naar boven      terug

 
 
 

Lezing van Prof. P. Visser uitgesproken op 29 november bij de viering van het 150-jarig bestaan van het kerkgebouw.

Opm.: In
rood aangegeven zijn verwijzingen naar de voetnoten.

Tempels in een vermaning?

Inleiding
De geschiedenis lijkt zich te herhalen. 150 jaar geleden, op 7 november 1858, stond hier ook een Fries die eveneens al lang, 17 jaar, in Noord-Holland woonde: ds. Inne Taconis (geboren te Joure) die leraar was bij de doopsgezinden van Oude en Nieuwe Niedorp. Toen hij hier de nieuwe vermaning plechtig opende, had de gemeente Broek op Langedijk al vier jaar geen leraar meer, omdat haar oude predikant, Jan Enigenburg, die hier maar liefst 48 jaar gepreekt had, in mei 1854 was overleden. Taconis preekte hier sindsdien regelmatig en gaf de kinderen catechisatie. Voor de inwijdingspreek van dit nieuwe kerkgebouw koos hij de bijbeltekst uit 1. Kon. 8:29 en 30.
1 Hoewel ik die preek niet ken (het is maar de vraag of ze bewaard is gebleven), lees ik u, in het kader van deze heugelijke viering van het 150-jarig bestaan van dit kerkgebouw, die twee verzen over de tempel van Salomo even voor:

Wees dag en nacht opmerkzaam op wat er gebeurt in deze tempel, de plaats waarvan u zelf hebt gezegd dat daar uw naam zal wonen, en verhoor het gebed dat ik naar deze tempel richt.
Luister naar de smeekbeden die uw dienaar en uw volk Israel naar deze tempel richten, aanhoor ons gebed vanuit de hemel, uw woonplaats, aanhoor ons en schenk ons vergeving.

Dat zijn zo op het eerste gezicht twee zeer toepasselijke bijbelplaatsen voor de nieuwe tempel van de doopsgezinde gemeente van Broek op Langedijk, waarvoor peuter Arjen Kroon op 28 juli 1858 de eerste steen had gelegd. Eerder, in de achttiende eeuw had uw gemeente ook nog een vermaninkje in Koedijk, waar afwisselend met Broek ooit ook nog gepreekt was door vermaners als Dirk en Willem Keyser en Dirk de Vries.
2 Maar in 1795 moest dat vervallen houten gebouwtje worden gesloten en verkocht.

Een vermaning over en voor tempels
Dominee Taconis zal vast en zeker een preek gehouden hebben, waarin hij de gemeente opgeroepen heeft om in dit nieuwe, nog naar verse kalk en specie ruikende vermaanhuis van de gemeente, God getrouw te dienen en te eren, Hem in leven en leer te volgen, in de hoop dat God de smeekbeden van zijn dienaar en gemeenteleden zal verhoren, toen en in de toekomst. Dat die preek, hoe dan ook enig effect heeft gehad, kunnen we zonder meer vast stellen. Tot op de dag van vandaag komt hier in dit huis nog steeds een kleine gemeente samen die trouw gebleven is aan haar beginselen – althans, min of meer trouw gebleven is; de tijden zijn nu eenmaal veranderd. Hoe ze veranderd zijn, blijkt alleen al uit de verbouwingen die hier sinds 1905, 1962 en 2004 gepleegd zijn. En u houdt moedig stand en laat u niet afleiden door onze moderne tijd vol ongeloof, bijgeloof of schijngeloof: ‘Een gemeente die leeft, bouwt aan haar kerk’, zo lees ik in het stuk van Lies Dirkmaat op uw website. Ik feliciteer u, gemeente Broek op Langedijk, van harte met deze Westfriese vasthoudendheid. Volgens het Doopsgezind Jaarboekje doet u dat als gemeente met zo’n 45 lidmaten, 12 belangstellenden en 14 vrienden; hier wordt 18 keer per jaar gepreekt; u hebt onder meer een zusterkring, er wordt aan bijbelstudie gedaan, maandelijks organiseert u een activiteit; u ondersteunt twee kinderen in Zuid-Amerika, en geeft eens in de twee maanden het blad Rondom de Broeker Vermaning uit. Dat getuigt mijns inziens nog steeds van vitaliteit. Ook daarom nogmaals proficiat!
Toch zal ds. Taconis wel wat noodsprongen hebben moeten maken om in zijn negentiende-eeuwse, vermoedelijk zeer bijbelse preek (dat was toen weer zeer in de mode onder doopsgezinden) niet al te letterlijk noch te lang bij de tempel van Koning Salomo stil te blijven staan. Want die liet zijn immens kostbare en met veel bladgoud ingerichte tempel, voorzien van een groot altaar, vele zuilen en tal van versieringen in koper en brons, met veel ceremonieel inwijden. Toen werd o.a. de Ark van het Verbond met de stenen tafelen van Mozes door de priesters en de Levieten vanuit de Davidsburcht naar de achterste zaal, het allerheiligste, gebracht, waarbij ontelbaar veel schapen, geiten en runderen zouden worden geofferd. De verwijzing naar de tempel van Salomo zal vooral overdrachtelijk zijn bedoeld, zinnebeeldig en geestelijk. Immers, blijkens goed doperse opvatting wordt het huis van de gemeente, de vermaning, niet als een heiligdom van Gods naam beschouwd – laat staan dat er te Zijner ere met veel ceremonieel en veel uiterlijke pracht en praal erediensten aan hem worden opgedragen. De vermaning is niets meer en niets minder dan een huis waarin de gemeente samenkomt: alle mannen en vrouwen die zich door Christus’ voorbeeld en het evangelie laten inspireren en daarvan ooit zelfstandig belijdenis hebben gedaan. Daar worden ze bemoedigd, gesticht en opgewekt – dat is de eigenlijke betekenis van vermaning – om in eenheid, in liefde en in vrede, met elkaar en met de buitenwereld, dat christelijke ideaal zoals dat in het Nieuwe Testament verteld wordt, dag in dag uit tot uitdrukking te brengen – niet zozeer in woorden, maar vooral in daden. Sterker nog: voor doopsgezinden woont God niet in een voor Hem opgericht huis of heiligdom, maar in ieder mens. Ik kom daar nog op terug.
Toch moeten 150 jaar geleden de vreugde en de dankbaarheid van de Broeker gemeente wel enigszins te vergelijken zijn geweest met die van Koning Salomo, die uit dankbaarheid voor de beloften van God aan David en zijn uitverkoren volk van Israel, 480 jaar na de uittocht uit Egypte, in Jeruzalem deze tempel liet bouwen. Ook de Broeker mennisten, die zich ooit Friese doopsgezinden noemden, hadden wat dat betreft een lange en moeilijke weg afgelegd.
Over die lange geschiedenis van het doperdom in Broek en omgeving weten we eigenlijk maar heel weinig – u kunt dat ook op uw eigen site nalezen.
3 In de kerk ingekwartierde Engelse troepen hebben hier nogal huisgehouden, waardoor er niet alleen 60 gulden uit de gemeentekas is verdwenen, maar vermoedelijk hebben ze – net als de Napoleontische troepen in de vermaning van Alkmaar – zich ook warm gestookt met oude notulenboeken en ander ‘oud papier’. Begin 19de eeuw was de gemeente zelfs bijna op sterven na dood! Dat er een halve eeuw later een nieuw kerkgebouw geopend werd, mocht dus welhaast een wonder heten! Ik kom daar nog op. Eerst ga ik nu ook zo’n 480 jaar terug in de tijd en probeer een globaal beeld te schetsen van het beginnende doperdom in deze contreien, dat ook als een soort uittocht uit Egypte te beschouwen is: het breken met de rooms-katholieke traditie die tot aan het begin van de hervorming hier als enige kerk de dienst uitmaakte.

Melchior Hoffman en het Münsterse extremisme – een lastige erfenis
Zoals u weet is het doperdom hier in de Nederlanden geïntroduceerd door Melchior Hoffman, die in 1530 vanuit Emden zendboden, apostelen, naar Friesland en Holland stuurde om de mensen op te roepen de kerk van Rome, haar Paus en de beeldengodsdienst, haar ceremonieën en rituelen te verlaten, geen missen meer aan te horen, niet te geloven dat Christus’ lichaam werkelijk aanwezig zou zijn in de hosties, noch de kinderdoop toe te passen. Dat waren in hun opvattingen allemaal menselijke bedenksels die niet gestoeld waren op het evangelie, noch op de praktijk van de eerste gemeenten waarover in de Handelingen geschreven werd. Wilde men werkelijk Christus navolgen, dan gold enkel het Nieuwe Testament als enig en waar richtsnoer voor het leven. Bovendien was de bijbel er voor iedereen – niet voor een gestudeerde elite van theologen en bisschoppen, enkel in het Latijn, maar (en dat hebben we aan Luther te danken) ook in de eigen volkstaal. De dopers van Melchior Hoffman gingen daar aanvankelijk zeer letterlijk mee om.
Was het volk van Israël blijkens het Oude Testament er in al die eeuwen niet in geslaagd zich aan de Wet van Mozes te houden – ook de tempel van Salomo zou weer verwoest worden – zo moest in de doperse visie het nieuwe, geestelijke volk van Israël zich geheel richten naar Christus en zijn evangelie. De eerste door de apostelen gestichte gemeenten, die veel vervolging hadden gekend, vormden daarvoor het voorbeeld. Toen echter de Romeinse keizer Constantijn de Grote in 325 op het concilie van Nicea een pact had gesloten met de kerk, was dit apostolische gemeente-ideaal om zeep gebracht, omdat toen Kerk en Staat één waren geworden. Anders dan de andere hervormers, zoals Luther, Zwingli en later ook Calvijn in praktijk brachten, door hun kerkhervorming met steun van de overheid tot stand te brengen, riepen de dopers op om vrijwillige gemeenten te stichten, die los stonden van elk staatsverband en waarin niet de wetten van de wereldlijke vorsten, maar alleen die van Christus, de hemelse koning, moesten gelden. En zo verkondigden zij, in navolging van Jezus, die door Johannes de Doper gedoopt was, daarom ook de volwassendoop.
De dopers gingen weer terug naar de apostolische ‘roots’ en braken dus niet alleen radicaal met de Kerk van Rome, maar zij plaatsten zich bovendien buiten elk staatsverband. Kerk en Staat – eerst keizer Karel V en later diens zoon, de koning van Spanje, Philips II – beschouwden hen daarom prompt als vijanden, als ketters die streng vervolgd moesten worden. Anabaptisten of wederdopers werd hun scheldnaam. De vervolging verergerde, toen Hoffman zich als profeet begon te manifesteren. Hij voorspelde namelijk dat het einde der tijden nabij was en dat daarom alle mensen zich moesten bekeren, het oude zondige, katholieke leven afzweren, en dankzij de volwassendoop een nieuw geestelijk mens worden, opdat zij zich bij de 144.000 uitverkorenen, zoals in het boek Openbaring voorspeld was, konden voegen, die het eeuwige rijk van Christus, het Nieuwe Jeruzalem, zouden mogen binnentreden.
Natuurlijk weet u dat dit de opmaat zou vormen tot de roemruchte geschiedenis van het Münsterse doperdom. Vanaf begin 1534 zou dat nieuwe Godsrijk in Münster gevestigd worden; daar manifesteerde Jan van Leyden zich als de grote profeet en zelf benoemde koning. Eigenhandig en met gebruikmaking van grof geweld hielp hij God een handje om die apocalyptische heilstaat te verwezenlijken. Ook in deze contreien raakten steeds meer dopers – overigens lang niet alle – in de ban van dat nieuwe Godsrijk. Het is nu moeilijk meer voor te stellen hoe zulk geloofsfanatisme zich destijds zo heeft meester kunnen maken van nuchtere Friezen en Hollanders die heilig geloofden dat Christus spoedig op aarde terug zou keren. Toch mogen we hun bezetenheid, opgehitst door onheilsprofeten, nu wel vergelijken met verschillende vormen van star fundamentalisme, met extremisme, en zelfs met terrorisme, zoals we die nu onder sommige moslimgroeperingen kunnen waarnemen.

Broeker ketters
Wat we hiervan nu ook mogen vinden – doopsgezind Nederland is maar mooi opgezadeld met die lastige erfenis uit het verleden – feit is dat ook tal van dopers uit deze omgeving zich hebben laten opzwepen om naar Münster af te reizen. Zo bijvoorbeeld in het voorjaar van 1534, toen de Noord-Hollandse broeders en zusters (‘bondtgenooten’ noemden zij zich) opgeroepen werden om al hun bezittingen te verkopen en, voorzien van wapentuig, per schip over de Zuiderzee naar het Bergklooster bij Hasselt te varen, om vandaar op 21 maart gezamenlijk naar Münster op te trekken. Onder die tientallen schepen bevond zich ook een boot met zo’n 50 Texelse dopers. En daaronder bevond zich minstens één broeder uit Broek op Langedijk, die we bij naam kennen: Jacob Rem.
4 Die hele onderneming is overigens op een mislukking uitgelopen: aan de overzijde van de Zuiderzee werd de hele vloot al bij Genemuiden opgewacht door snel opgetrommelde soldaten. Vele Münstergangers werden gedood, of verdronken simpelweg, maar een meerderheid wist te ontkomen. En zo zou ook Jacob Rem na een lange omweg weer op Texel terugkeren, waar hij echter werd opgepakt. Men heeft hem nog op 14 december 1534 verhoord (dankzij de bewaard gebleven procesverslagen kennen we zijn lotgevallen), maar sindsdien is hij kennelijk gevlucht. Bovendien kennen we nog twee Broekers, die weliswaar niet ‘op de scepen’ waren, maar die wel als wederdopers in 1534 waren opgepakt: het echtpaar Griete en Pieter Syboutsz.5 Zij hadden zich eerder in Nieuwe Niedorp – destijds een broeinest van dopers – laten herdopen. Griete heeft vier jaar gevangen gezeten, maar toen ze in 1538 zou worden voorgeleid voor de rechter, bleek ook zij gevlucht te zijn. Hoezeer deze hele Münsterse toestanden de autoriteiten op de kast had gejaagd, is ook goed op te maken uit het bewaard gebleven verslag van maart 1535 over een zoektocht naar ketters in deze omgeving.6 De directe aanleiding voor deze ketterjacht had de beruchte naaktloperij in Amsterdam gevormd, in februari dat jaar: toen hadden 7 mannen en 5 vrouwen spiernaakt – stelt u zich voor: midden in de winter – op straat de naakte waarheid verkondigd: iedereen moest zich bekeren om Christus’ komst mee te kunnen maken. De overheden waren daarom doodsbenauwd dat ook Amsterdam tot een tweede Münster zou worden. Zodoende stroopten zij sindsdien heel Noord-Holland af om dopers op te pakken en om te brengen (met name de waterrijke Zaanstreek zat er vol mee). Ik laat u nu enkele passages horen uit het rapport dat opgemaakt is door legeraanvoerder Escornaix die met zijn manschappen in Monnikendam gelegerd was, waar ook kettermeester Lodewijk Brunt kantoor hield, die ook mee op inspectie was, evenals de provoost, de gevangenisopziener, van Purmerend, ene Visscher.

Men ging op 11 maart van Purmerend per schuit naar Nieuwe Niedorp, om daar met
voetvolk de weg te bezetten. Het blijkt dat de anabaptisten overdag wegvluchten, maar ’s avonds naar hun huizen terugkeren – zij werden kennelijk gewaarschuwd. Toch worden er ’s ochtends vroeg twee mannen en één vrouw gearresteerd; omdat ze bij hun valse leer blijven, zijn ze zonder vorm van proces in Nieuwe Niedorp aan drie galgen opgehangen. Daarna heeft men het huis van Jan Walichsz gesloopt, waar, zo is verteld, doperse bijeenkomsten worden gehouden [dat was nog eens lik-op-stuk-beleid!]. Vervolgens is een edict uitgevaardigd dat elke inwoner alle dopers moest aanbrengen, op gevaar van eigen leven en verbeurdverklaring van alle eigendommen. Na de lunch wordt de schepenen van Oude en Nieuwe Niedorp en Winkel de wacht aangezegd, omdat zij veel te laks zijn tegen de dopers, die zich ‘in grooten getaele hem langen tijt onthouden hadden bynnen den voorsz. Dorpen’. De dorpsbestuurders beklagen zich erover dat zulks geen doen is, omdat veel van die dopers tot hun eigen vrienden en familieleden behoren. Daarna komen de boetelingen bij hen; enkelen daarvan waren gevlucht en nooit meer in de kerk geweest. De twaalf die wel zijn komen opdagen, verklaren zich weer bij het oude Christengeloof te houden.
Op 13 maart vertrok men naar Schagen. In Sint Maarten verklaren de pastoor en de schout dat de eerdere herdoopten weer in de kerk komen, uitgezonderd drie mannen die door het Hof van Holland verbannen zijn, maar die zich in Groet schuilhouden. Mochten die terugkomen, dan moeten ze onmiddellijk gesnapt worden – gebeurt dat niet, dan moeten schout en pastoor voor hun eigen leven vrezen.
Op 14 maart voer het gezelschap via Warmenhuizen naar Scharwoude en de Langedijk, ‘aldaer veel ende diuersche annabaptisten hen te onthouden plagen’. Sommigen hebben weer boete gedaan en zijn in de moederkerk teruggekeerd, met uitzondering van de weduwe van Jan Zyboutszoen, met ‘haer kinderen, ende enige anderen’, die allemaal gevlucht zijn. Omdat er zeer onlangs nog in het huis van de weduwe geheime bijeenkomsten zijn gehouden, heeft men ‘t huijs doen demolijeren’ [slopen]. De boetelingen verklaren dagelijks weer naar de kerk te gaan, met uitzondering van twee zusters, die eveneens op de vlucht geslagen zijn. Daarna is het gezelschap naar Alkmaar vertrokken, voor verdere inspectie en overleg.

Ik las op jullie website dat veiligheidshalve het jaartal 1666 aangehouden wordt als oudste vermelding van het bestaan van de Broeker gemeente. Na het voorgaande durf ik de bewering wel aan dat we in ieder geval als de oudst vermelde plaats van samenkomst voor de Broeker dopers het op 14 maart 1535 verwoeste huis van de weduwe van Jan Syboutszoon mogen beschouwen. Met andere woorden, over twee jaar al, in 2010, staat de Langedijk weer een nieuw herdenkingsjaar te wachten: dan van 475 jaar doperdom in deze streek!

Het moeilijke verhaal van Menno Simons
Hoe dat ook zij, na deze eerste, zeer roerige periode is het Menno Simons geweest, de voormalige Friese pastoor van Witmarsum, die vanaf 1539 uit de puinhopen van het mislukte en neergeslagen Münsterse geloofsexperiment weer een gemeenschap moest zien op te bouwen van nuchterder en vreedzamer aard. Maar dat zou voor Menno en de zijnen een zeer lastig verhaal worden, omdat juist door die Münsterse ellende alle wereldlijke en kerkelijke overheden nog meer gebeten waren op alles wat naar de doperse leer riekte, dan ooit te voren. Vanaf 1535 zouden inquisitie en justitie feller dan voorheen het op deze ketters voorzien hebben. Ook op Menno’s hoofd werd al spoedig een beloning gezet van 250 Carolus guldens. Menno werd een nieuwe kerkleider-op-de-vlucht! Dat hij er desondanks toch in geslaagd is het doperdom een nieuw, bijbels en vreedzaam gezicht te geven, mag daarom welhaast een wonder heten en dwingt dan ook veel respect af. Van meet af probeerde Menno de overheden mild te stemmen. Hij wees elke connectie met de Münsterse dopers resoluut van de hand; hij moest niets hebben van dat dwaze profetengedoe; hij preekte volkomen geweldloosheid. Zijn mensen zouden zich aan elke overheid onderdanig onderwerpen, belasting betalen en trouw burgerschap tonen, tenminste zolang de overheid zich niet bemoeide met het vrije, persoonlijke geweten, met de eigen particuliere geloofsopvattingen. Niet een vorst of een keizer, noch een bisschop of een paus mocht zich het recht toe-eigenen om te beschikken over het menselijke geweten. Daarin, in geloofszaken die op de zuivere, bijbelse leer gebaseerd zijn, mag alleen God het laatste oordeel vellen.
Maar hoe Menno ook probeerde om de overheden gunstig te stemmen, en zich beriep op enkel het evangelie, dat alles kon niet verhinderen dat hij en zijn aanhang in de ogen van de keizer en de koning – ijverige verdedigers van de enige ware katholieke moederkerk – als verwerpelijke ketters en staatsgevaarlijke oproerlingen werden beschouwd. De kerk van Menno Simons, Nederlands eerste en enige hervormer, bleef genoodzaakt een illegaal, ondergronds bestaan te leiden. Honderden, duizenden dopers, toen al mennonisten of mennonieten genoemd, zouden ons land dan ook ontvluchten en asiel zoeken in het huidige Polen. En wie zo ongelukkig was om opgepakt te worden, belandde in het gevang, werd aan scherpe verhoren en martelingen onderworpen, om uiteindelijk op de brandstapel te belanden, of te worden onthoofd, opgehangen, of met stenen aan het lijf gebonden in het water gegooid. Deze vervolgingstijd zou tot omstreeks 1575 duren, zo’n 40 jaar lang. In totaal heeft ze zo’n 2000 mannen en vrouwen het leven gekost: mensen die met de dood voor ogen vast hebben gehouden aan hun geloof en hun principes. Veel van die geschiedenissen kennen we nog dankzij de vele 16de-eeuwse martelaarsliederen en -verhalen die in de zogenaamde martelaarsspiegels verzameld zijn. Of er toen ook al op de Langedijk zo’n clandestiene gemeente functioneerde, is niet met zekerheid vast te stellen, maar lijkt wel aannemelijk te zijn. Ik maak dat op uit een verslag van verschillende dorpspastoors die op 19 december 1567 – 6 jaar na Menno’s dood – rapporteerden over de ‘infectie der mennonisten’ binnen hun parochies.7

In Groet vertelde pastoor Cornelis Bartholomeus: Er zijn nogal wat mennonisten, waarvan sommigen zich willen beteren, terwijl anderen bij de ‘valsche leringe’ blijven.
Int Scherwoude was volgens pastoor Willem Claesz de situatie deze: twee of drie van zijn parochianen zijn ‘geïnfecteert …metter secten van Menno …welcke
secte haer seer verspreidende is in den lande van Westfriesland tusschen simpele
en leecke lieden.’
Over Broek op Langedijk meldde pastoor Jan Jansz: sommigen van zijn
parochie hebben zich hier ‘onder de secte van Menno’ begeven, zoals ‘Jan Reynsz,
geboren van Sint Maerten, wesende een landman, en nog Rem Dircksz, Jan Jansz,
Theunis Simonsz, Simon Aelbrechts en Symon Symensz.’

Dat doet dus sterk vermoeden dat deze voormalige katholieken hier, of in de directe nabijheid, al een clandestiene menniste gemeente hadden gevestigd.

De ideale gemeente volgens Menno
Menno Simons heeft er veel werk van gemaakt om zijn gemeenten zo zuiver mogelijk op evangelische, Nieuwtestamentische grondslag in te richten. ‘In de wereld, maar niet van de wereld’, was het algemene motto. Van alle lidmaten verwachtte hij een strenge, ethische houding. Niet zo zeer in de leer, als wel in het dagelijkse leven moest de zuiver evangelische boodschap en mentaliteit tot uitdrukking komen. Wie zich ooit welbewust en volmondig bekeerd had om een leven te lijden in navolging Christus, moest daar elk moment van de dag, onder alle omstandigheden, gehoor aan geven en daaraan alle consequenties verbinden, tot in de dood toe, zoals Christus eens aan het kruis gestorven was. De gemeente moest daarom ‘zonder vlek of rimpel zijn’, zo verkondigde Menno. Ieder lid diende zich gewetensvol en doordrongen van die navolging zo zondeloos en zo zuiver mogelijk te gedragen. De gemeente diende zodoende een ‘gemeente van heiligen’ te zijn. Gevolg was dat naarmate de gemeenten groeiden, het noodzakelijk werd een steeds strengere gemeentetucht te hanteren. Wie over de schreef ging, werd uit de gemeente gezet, verbannen! De overige gemeenteleden mochten dan niet met zo’n gebannen lid omgang hebben, opdat zij zelf niet besmet zouden raken met zondig gedrag. Dat heette destijds de ‘mijding’. Dat ging soms zo ver, dat zelfs echtgenoten van elkaar op gezag van de dienaarschap (de leraar en de kerkenraad), van elkaar gescheiden konden worden, wanneer een van tweeën een banwaardige zonde had begaan. Deze huwelijksmijding en andere strenge vormen van gemeentetucht zouden dan ook, vooral na Menno’s dood, tot een hoop gedoe en ellende leiden, met tal van splitsingen in vele richtingen tot gevolg.
Dat laat evenwel onverlet dat Menno zijn hoge ideaal over de gemeente van heiligen als veruit het belangrijkste van zijn leer heeft beschouwd. Hij heeft daar herhaaldelijk uitdrukking aan gegeven, in uitsluitend aan de bijbel ontleende taal en beelden. Menno hield niet van theologiseren: de tekst van de bijbel was rijk, helder en duidelijk genoeg om daaruit het juiste geloof in Christus en zijn navolging te putten. Alle theologische, en dus menselijke studie leidde maar van die bijbelse waarheid af: ‘hoe geleerder, hoe verkeerder’, was zijn motto. Geloof was geen kwestie van woorden en academische spitsvondigheid, maar van doen!
Een mooi voorbeeld van hoe Menno bijbels uitdrukking gaf aan dat gemeente-ideaal is te vinden aan het slot van zijn bekendste geschrift, het Fundamentboek, dat van 1539 dateert. Hij gebruikt daarvoor de zeer poëtische taal die hij vooral aan het Hooglied heeft ontleend. Zoals u weet wordt het Hooglied ook wel aan Salomo toegeschreven (en voor Menno is Salomo de voorafschaduwing van Christus) en daarom sluit deze passage, waarvan ik enkele fragmenten voorlees, toch ook weer mooi aan bij de inwijdingspreek van dominee Inne Taconis uit 1858.
8 Ik ben zeer benieuwd of u zich, hier en nu, nog enigszins in kunt herkennen:

Hoor hoe Jezus Christus, de bruidegom, tot zijn bruid, de gemeente, spreekt. O bruid
van God, hoor de stem van uw bruidegom; u, vriendin van de Heer, sta op en versiert
u zichzelf, tot eer van uw koning en bruidegom: hoewel u rein bent, reinigt u nog
meer; hoewel u heilig bent, heiligt u nog meer, en hoewel u rechtvaardig bent,
rechtvaardigt u nog meer. Versiert u met dat witte zijden gewaad van de
gerechtigheid, hang om uw hals de gouden ketting van vroomheid, omgordt u met de
gordel van de broederlijke liefde, neemt aan de trouwring van het waarachtige geloof,
verguldt u zichzelf met dat edele, fijne goud van het Goddelijke Woord, versiert u zich
met de parels van allerlei deugden; wast u zich met dat heldere water der genade, en
zalft u zich met de olie van de Heilige Geest; laat heel uw lichaam zuiver en rein zijn,
want uw vriend haat alle rimpels en vlekken. Op die manier zal hij zich verlustigen
aan uw schoonheid. Hij zal u prijzen en zeggen: hé hoe mooi zijn uw borsten, mijn
zuster: lieve bruid, uw borsten zijn lieflijker dan wijn, en de reuk van uw zalfjes gaat
alle kruiden te boven, uw lippen zijn als druipend honingvocht, onder uw tong proeft
het naar honing en melk. [Vergissen we ons niet: Menno denkt volstrekt niet in
termen van ‘beauties’ en ‘babes’, waarmee onze tijd van pornoficatie zo vol van is –
voor hem telt enkel de geestelijke schoonheid, de zuiverheid van de gemeente].
En dan beschrijft Menno in gelijke termen, zo niet nog fraaier, de bruidegom,
Christus: hij is de schoonste van alle mensenkinderen. Hij heeft u uitverkoren, zich
over u ontfermd, zich zijn leven aan u toegezegd, hij heeft uw onzuiverheden
gezuiverd, uw bloed afgewist, met balsem gezalfd, met geestelijke kleren bekleed; hij
heeft een eeuwig verbond met u gemaakt; hij heeft u in de slaapkamer van zijn liefde
binnengeleid en gekust met de mond van zijn vrede.
Wat een lieflijke en goedmenende bruidegom, hoe een genadige koning moet
dat wel niet zijn, die u bruid, gemeente, u die ooit een arme, met zweren geschonden,
geminachte, ja zelfs een hoerachtige dienstmeid was [dit zijn verwijzingen naar de
verkettering en de vervolging van zijn mennisten], uitverkoren heeft tot zo’n hoge
vrouw, bruid en koningin. Hij heeft zich alle moeite, werk en onkosten getroost om u
tot de allerschoonste, zuiverste, waardigste en edelste vrouw aller vrouwen te maken.
De winter is vergangen [dat wil zeggen: de tijd van het oude Israël en de Wet
zijn voorbij, maar eveneens de tijd van de katholieke overheersing], en de vruchtbare,
lustelijke mei is nu aangebroken [de tijd van het evangelie, van genade, maar ook die
van zijn menniste gemeenschap]. De lieflijke bloemen ontspruiten aan alle kanten, de
tortelduif koert, het heilzame heilige Woord, het Woord van boete en genade, van de
eeuwige vrede klinkt nu uit alle monden, uit alle schriften, en wordt betuigd met leven
en dood in vele landen.
Vrees niet, u kleine vergadering [elders spreekt Menno ook wel over de ‘cleyne kudde’], gemeente, want het gelieft de Vader om u dat eeuwige rijk van
genade en eeuwige vrede te geven – niet het uiterlijke rijk van Assyrië, Perzië of
Rome. Neen: het hemelse, geestelijke Jeruzalem, uw geestelijke stad, uw geestelijke
huis. Houdt door de band van vrede die eenheid bewaard, want alle leden van de gemeente – u zelf bent die tempel – vormen één huis, één stad, één lichaam en één gemeente in Christus.

Menno dacht dus volstrekt niet in termen van het uitwendige van een gebouw, een kerk – dat was in zijn tijd van illegaliteit natuurlijk ook nog volstrekt ondenkbaar. Voor hem bestond de gemeente uit levende tempels, van alle gemeenteleden tezamen. God woont dus niet in een huis van hout of steen, maar in de geest en het lichaam van ieder mens.

De nieuwe Broeker vermaning van 1858 als fenomeen van opbloei
Keer ik nu dan tot slot nog terug naar de tijd dat dominee Taconis in 1858 dit vermaanhuis voor de levende Broeker tempels zo plechtig inwijdde, met vermoedelijk een meer aan zijn tijd aangepast gemeentebegrip.
Zoals ik al eerder vermeldde, zat niet alleen Broek op Langedijk, maar heel doopsgezind Nederland rond het midden van de 19de eeuw weer in de lift. Daarvóór was dat nog totaal anders. Had tegen het einde van de 17de eeuw de broederschap nog zo’n 60 à 70.000 lidmaten geteld, toen de nog jonge vermaner Jan Enigenburg hier in 1806 met preken was begonnen, waren daarvan landelijk nog nauwelijks 25.000 lidmaten over [er zijn dus wel meer barre tijden geweest]. Het is vooral na 1848 geweest dat het klimaat in Nederland ten goede keerde: de economie bloeide weer op en ook het kerkelijk leven herstelde zich zienderogen. Ook onder doopsgezinden. Alom in deze tijd, zo tussen 1850 en 1870, werden in meer dan de helft van de Nederlandse gemeenten oudere kerkgebouwen gerenoveerd of nieuwe gebouwd. De vergunningen daarvoor moesten worden goedgekeurd door het Ministerie van Waterstaat. Omdat al die nieuwe vermaningen zo op elkaar leken, ook deze van Broek, zei men daarom wel eens spottend: ‘Wat er staat, is waterstaat!’. Om u een indruk te geven wat er hier in Noord-Holland boven het IJ toen aan doopsgezinde bouwactiviteiten plaats vond, som ik wat jaartallen en plaatsen op:
9
1850: Westzaan (Noord): nieuwe gevel en verbouwing;
1851: Wormer: nieuwe kerk;
1852: Wormerveer (op het Noord): kerk verbouwing;
1853: Alkmaar: nieuwe voorgevel en een nieuw interieur;
1853: Den Helder: nieuwe kerk
1856: Oost-Graftdijk: nieuwe kerk;
1857: Den Burg op Texel: aanzienlijk vergroting van de kerk;
1857: het vermaninkje van Oude Niedorp werd gesloopt (er waren geen leden meer); ook het vermaanhuis van Nieuwe Niedorp was te bouwvallig, zodat daar ‘een geheel nieuwe gesticht’ werd, die ’25 Oct. 1857 het eerst gebruikt werd, bij welke gelegenheid haar leraar [Inne Taconis] eene feestrede hield over 1. Kon.8:29, 30’ – dezelfde die hij dus een jaar later in Broek op Langedijk nog eens zou houden!
10
Ook na 1858 werd er nog driftig doorgetimmerd:
1859: Wieringerwaard: nieuwe kerk;
1861: Purmerend: nieuwe kerk;
1861: Zaandam (Oostzijde): nieuwe kerk;
1861: Sint Hippolytushoef: nieuwe kerk.
Wat uw gemeente hier toen gepresteerd heeft, moet nog steeds respect afdwingen. Want gaat u maar na: de gemeente was in 1858 nog steeds, al vier jaar lang, vacant, terwijl het lidmatenaantal niet meer bedroeg dan 33 – nog niet eens de helft van de dik 70 leden en vrienden die nu bij de gemeente betrokken zijn! De Broekers van destijds hebben zich niet laten afschrikken door deze geringe cijfers, integendeel: hun ambities waren hoog. Zo stuurden zij in februari 1856 aan alle gemeenten in Nederland een gedrukte circulaire, een bedelbrief, om niet alleen de bouw van een nieuw kerkgebouw – het oude houten gebouwtje met rieten dak aan de Voorburggracht was te bouwvallig geworden – maar ook van een nieuwe pastorie te bekostigen.
11 De totale bouwkosten werden op zo’n 7.500 à 8.000 gulden geraamd. In die brief wordt gemeld dat men f 200 toegezegd had gekregen van de Rijper Sociëteit; dat een inschrijvingslijst onder de gemeenteleden zo’n f 1.000 had opgebracht, terwijl de waarde van het oude vermaanhuis geschat werd op f 300. Totaal had men op eigen kracht dus al zo’n f 1.500 in kas.De kerkenraad, die zich toen nog opzieners noemden, te weten: J. Dirkmaat, A. van Bommel, J. Kroon en D. Dirkmaat, drongen daarom aan op de offervaardigheid van de andere gemeenten. Zij hoopten op een gunstige reactie, met het oog op de ‘verheerlijking van God en Jezus Christus, en instandhouding en opbouw eener wel kleine Gemeente, doch wier hartewensch het is, in den rei der Doopsgezinde Gemeenten te blijven staan.’
Toch zou de gemeente niet het volle bedrag bij elkaar krijgen. Blijkens de dankcirculaire die in januari 1859 – na de opening dus – naar alle gulle gevers werd verstuurd (heel opvallend noemden de opzieners zich toen: kerkenraad), waaronder de A.D.S., de Haarlemse Vrienden en 37 gemeenten, was er uiteindelijk een bedrag van f 3.009,77 binnen gekomen, wat verhoogd met de eigen middelen van f 1.000 in ieder geval genoeg was geweest om de vermaning te bouwen. Het ontwerp was gemaakt door de jonge Alkmaarse broeder en later beroemde stadshistoricus Cornelis Willem Bruinvis – dat zal wel een vriendendienst zijn geweest.
12 De totale bouwkosten waren uitgekomen op f 3.452,55, zodat de rest van het geld in een fonds werd belegd voor de bouw van de pastorie. Die pastorie zou zes jaar later, in 1864, daadwerkelijk gebouwd worden: het huidige pand aan de Dorpsstraat 112.
Dominee Taconis zou nog vele jaren als gastpredikant hier eens in de veertien dagen een dienst houden. Eventjes kwam hier in 1861 de pas afgestudeerde proponent van het Seminarium op de kleine preekstoel (die nog uit het oude vermaanhuis afkomstig was), Aemilius Wybrantsz, maar op 20 juli 1862 vertrok deze alweer, naar de gemeente Edam. Opnieuw zou Taconis telkens weer zijn preekbeurten moeten waarnemen. Pas op 1 oktober 1865 hield ds. D. Lodeesen (eerder leraar van Knollendam) zijn intreepreek; hij werd dus de eerste bewoner van de nieuwe pastorie. Hij verwelkomde zijn nieuwe gemeente met een preek over 1 Kor. 8:1, ‘De liefde sticht’. En inderdaad zou het ledental sinds de nieuwbouw weer gestaag gaan groeien, maar een eeuw later ook weer gaan krimpen.

Lang leve Langedijk
De gemeente mag dan nog steeds bescheiden van omvang zijn, wel heeft hopelijk mijn hink-stap-sprong-verhaal door de zeer fragmentarische Broeker geschiedenis laten zien dat deze gemeenschap vanaf het prilste begin haar doperse vitaliteit al van ouds her heeft ontwikkeld èn behouden. Of we het met alle gemeenteopvattingen van al die vorige geslachten, hetzij ondergronds, hetzij bovengronds, nog steeds eens kunnen zijn, is eigenlijk niet belangrijk. Elke tijd stelt nu eenmaal weer zijn eigen vragen aan telkens weer nieuwe generaties. Dat is doopsgezinden zeer eigen: flexibel zijn in doen en denken. Alles, niet alleen vermaningen, maar ook de ideeën over gemeente-zijn worden na ooit met zorg te zijn opgebouwd ook weer vertimmerd, gerenoveerd of zelfs gesloopt – al naar gelang de eisen van de tijd. Bovendien leert de Broeker geschiedenis dat levenskracht niet staat of valt met het uiterlijk van haar tempel, noch met de macht van het grote getal, maar met de inspiratie die slechts een ‘klein hoopje’ aan dat eeuwenoude evangelie ontleent. En welke Fries u dat op zijn manier ook voorhoudt, of hij nou Menno Simons heet, Inne Taconis, Bart Santema of Piet Visser, dat doet eigenlijk niet ter zake. U moet het namelijk allemaal zelf doen! En ook daarmee feliciteer ik u van harte. Ik wil u dan ook aanraden daarmee vooral rustig door te gaan.


Voetnoten
1 Doopsgezinde Bijdragen (1861), p. 157.
2 In de handschriftenverzameling van de Doopsgezinde Bibliotheek, Universiteitsbibliotheek van Amsterdam bevindt zich een verzameling van 34 preken van leraar Dirck Cornelisz Keyser, ingenaaid in oude omslagen, uit de periode 1723-1744, plus nog een lijkpredicatie op hem door vermaner Dirk Cornelisz de Vries (Hs. XXVII-722). Enkele van die omslagen zijn gedrukte preekbeurtlijsten, zgn. ‘beurtceelen’ of ‘beurtcedulen’, waarin afwisselend voor Koedijk en Langedijk de preekbeurten (ook door leraren van andere gemeenten) gedurende een jaar werden vastgelegd. Het betreft de jaren 1735, 1736, 1737 en 1738. Daarnaast is er nog een beurtlijs voor het jaar 1788, toen Jan de Bleyker hier als leraar stond.
3 Zie ook het artikel ‘Broek op Langedijk’ in de Mennonite Encyclopedia I, p. 436.
4 Deze geschiedenis is uitvoerig beschreven door Gerard van der Kooi, De Wynberch des Heren. Godsdienstige veranderingen op Texel 1514-1572 (Hilversum 2005); zie voor Jacob Rem aldaar p. 83, 91, 98-99. 126, 145 en 181.
5 Van der Kooi, Wynberch, p. 121.
6 Doopsgezinde Bibliotheek, UB Amsterdam: Hs. XXVII-101 (een 19de-eeuws afschrift door J.G. de Hoop Scheffer van het origineel dat zich in het Nationaal Archief in Den Haag bevindt).
7 Idem, Hs. XXVII-411 (eveneens een 19de-eeuws afschrift uit het Koninklijk Archief in Brussel).
8 Ik heb er een ‘hertaling’ van gemaakt in moderner Nederlands. Zie de Haarlemse facsimileherdruk uit 1989 van Menno’s Opera Omnia Theologica (Amsterdam 1681), p. 67-69.
9 Deze gegevens zijn ontleend aan de rubriek ‘Kerknieuws’ in Doopsgezinde Bijdragen 1816, p. 155-167.
10 Idem, p. 162. Na afloop van de lezing werd ik er door mw. Gery Biesheuvel van de Doopsgezinde Gemeente Nieuwe Niedorp op attent gemaakt dat dit een vergissing moest zijn, omdat in de gevel van hun vermaning een gedenkplaat ingemetseld is met de mededeling dat de eerste steen pas in 1878 gelegd is. Hoewel de vermelde plaats in de Doopsgezinde Bijdragen 1861 elke twijfel omtrent de juistheid van de inwijding van de Niedorper vermaning in 1857 uitsluit, vond ik desalniettemin in Doopsgezinde Bijdragen 1880, p. 165 de volgende mededeling: ‘Niedorp. De gemeente kwam den 9en Maart [1879] voor ’t laatst in haar oud kerkgebouw samen en vergaderde veertien dagen later voor ’t eerst in het nieuwe. Bij die gelegenheden sprak Ds. Van der Meulen over Ps. CXVI:12 en over Nehem. VI:10 in ’t midden.’ Hoe dat nu precies zit met twee nieuwe kerkgebouwen binnen ruim 20 jaar is mij nog een raadsel.
11 Deze circulaire, alsmede de nog te noemen dankcirculaire (waaraan ik de volgende gegevens heb ontleend), bevinden zich in het archief van de Verenigde Doopsgezinde Gemeente Amsterdam, Stadsarchief Amsterdam, Toegangnummer: 1120, inventarisnummer: 909. Daarbij zit ook nog een brief van 8 april 1856 van de hand van het Broeker kerkenraadslid A. van Bommel, waarin hij de Amsterdammers nog een uitgebreide toelichting geeft op het ontwerp van vermaning en pastorie, en een nadere specificatie van de geraamde bouwkosten.
12 Dit weten we pas sinds kort dankzij de studie van mw. Carla Rogge, De Doopsgezinde Kerk van Alkmaar. Een verkenning van het kerkgebouw aan de Koningsweg (Alkmaar 2008), p. 17. Zij heeft hierover, voorafgaand aan mijn lezing, nog een korte mededeling gedaan.

naar boven      terug